Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Zfw
x
LJN:
x
AR6952
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-12-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene, die lijdt aan Morbus Bechterew, heeft verzocht om de kosten van een behandeling in Oostenrijk te vergoeden. Is hier terecht afwijzend op beslist?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/171 ZFW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Stichting Centrale Zorgverzekeraars groep Ziekenfonds, gevestigd te Tilburg, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 december 2002, reg.nr. 02/567 ZFW K1. Namens appellante heeft mr. E.G.W. Hendriks, advocaat te Hoensbroek, de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens heeft mr. Hendriks, voornoemd, nog enige stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 september 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Hendriks, drs. N.J.G.B. Wolter, verzekeringsarts, en professor dr. J.M.J.P. van der Linden, reumatoloog bij het Academisch ziekenhuis Maastricht en hoogleraar reumatologie aan de Universiteit van Maastricht. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.J.H. Dams-van der Heijden, werkzaam bij gedaagde.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante, die lijdt aan ‘Morbus Bechterew’, heeft gedaagde op 20 juni 2001 verzocht om de kosten van een behandeling in Oostenrijk te vergoeden. Het betreft specifiek deelname aan een kuurprogramma in het KurZentrum Bad Hofgastein in samenwerking met de Heilstollen (oude mijnschachten waarin zich een lage concentratie radon bevindt). Appellante heeft daarbij aangegeven dat zij twee jaar daarvoor had deelgenomen aan een wetenschappelijk onderzoek onder leiding van professor Van der Linden naar het effect van genoemd kuurprogramma dat specifiek gericht is op patiënten met ‘Morbus Bechterew’.

Bij besluit van 16 juli 2001 heeft gedaagde afwijzend op de aanvraag beslist. Bij het in geding zijnde besluit op bezwaar van 11 april 2002 heeft gedaagde de afwijzing gehandhaafd. Dit besluit berust op het standpunt dat kuurbehandeling geen verstrekking is ingevolge de Ziekenfondswet (Zfw) en dat om die reden ook artikel 22 van de Verordening EEG 1408/71 appellante niet kan baten.

Dit standpunt is onderschreven door het College voor zorgverzekeringen in het advies van 5 april 2002. Daarbij is onder meer gewezen op de uitspraak van de Commissie voor beroepszaken van de voormalige Ziekenfondsraad van 21 juli 1988, nr. 260-2832, gepubliceerd in RZA 1988, 153, waarin is overwogen dat behandeling in een kuuroord geen verstrekking is ingevolge de Zfw alsmede op jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep van dezelfde strekking.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en heeft onder verwijzing naar artikel 8 van de Zfw en artikel 23 van het Verstrekkingenbesluit (Vb) aangegeven dat de behandeling in het kuuroord en/of de Heilstollen niet valt te brengen onder het begrip revalidatiezorg als omschreven in het Vb. Nu de Zfw en de daarop berustende regelingen in beginsel een gesloten systeem van verstrekkingen behelzen bestaat er volgens de rechtbank geen aanspraak op andere verstrekkingen dan in die regelgeving is bepaald.

Appellante is van die uitspraak gemotiveerd in hoger beroep gekomen. Namens appellante is primair betoogd dat de onderhavige behandeling wel degelijk voor vergoeding in aanmerking komt omdat deze dient te worden aangemerkt als revalidatiezorg als bedoeld in artikel 23 van het Vb dan wel in ieder geval gekwalificeerd dient te worden als
verstrekking als omschreven in het Vb. Subsidiair is vanwege appellante betoogd dat sprake is van strijd met het gemeenschapsrecht.

De Raad overweegt het volgende.

Blijkens artikel 8, eerste lid, van de Zfw hebben verzekerden aanspraak op verstrekkingen ter voorziening in hun geneeskundige verzorging, voor zover met betrekking tot die zorg geen aanspraak bestaat ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Aard, inhoud en omvang van deze verstrekkingen zijn nader uitgewerkt bij en krachtens het op artikel 8, tweede lid, van de Zfw vastgestelde Vb.

Naar de Raad onder meer in zijn uitspraak van 1 mei 2000, gepubliceerd in USZ 2000, 176, heeft overwogen, is in de Zfw en het daarop gebaseerde Vb een duidelijk omschreven en limitatief bedoeld stelsel van verstrekkingen geregeld dat als zodanig geen ruimte biedt voor vergoeding van de kosten van behandeling in een kuuroord. De Raad wijst er op dat van opname en behandeling in een kuuroord in deze regelingen geen melding wordt gemaakt.

In artikel 23 van het Vb is - voor zover hier van belang - bepaald dat revalidatie onderzoek, behandeling en advisering omvat te verlenen door een aan een instelling voor revalidatiezorg verbonden multidisciplinair team van deskundigen, staande onder leiding van een specialist.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet aannemelijk is geworden dat het in geding zijnde kuurprogramma kan worden aangemerkt als een vorm van revalidatie als bedoeld in dit artikel. De Raad wijst er in dit verband op dat bij het onderhavige kuurprogramma geen sprake is van onderzoek, behandeling en advisering door een aan het kuurcentrum verbonden multidisciplinair team van deskundigen als in artikel 23 van het Vb bedoeld, reeds niet omdat niet is gebleken dat de gedragswetenschappelijke component deel heeft uitgemaakt van het kuurprogramma. Voorts wijst de Raad er op dat voor appellante geen individueel behandelplan is opgesteld.

Verder is de Raad van oordeel dat de onderhavige behandeling, mede gelet op de inhoud van het door appellante ondergane kuurprogramma, niet kan worden aangemerkt als al dan niet door of vanwege een ziekenhuis te verlenen medisch-specialistische zorg als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Zfw zoals die bepaling ten tijde in geding luidde. Het programma in het kuuroord, waar verbleven wordt in een hotel, bestaat immers hoofdzakelijk uit wandelen, gymnastiek, baden sport(therapie) en het rusten in de Heilstollen. Dat het kuuroord (en/of de Heilstollen) in Oostenrijk de status van “Krankenanstalt” heeft kan aan het voorgaande niet afdoen.

Naar in het vorenstaande ligt besloten is de Raad, evenals gedaagde en de rechtbank, van oordeel dat de onderhavige kuurbehandeling niet als een verstrekking als bedoeld in het bepaalde bij en krachtens de Zfw kan worden aangemerkt en derhalve evenmin als een vorm van wettelijke prestaties van het woonland van appellante als bedoeld in artikel 22, tweede lid, tweede volzin van de EG-verordening 1408/71.

Ten aanzien van appellantes beroep op de artikelen 59 en 60 EG-verdrag (thans: 49 en 50 EG) merkt de Raad op dat - voor zover in casu sprake zou zijn van extramurale zorg - hij met betrekking tot dergelijke zorg heeft overwogen (CRvB 18 juni 2004, LJN AP4742) dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 13 mei 2003, Müller-Fauré en Van Riet, C-385/99, LJN AF8650, voortvloeit dat die artikelen eraan in de weg staan dat het ziekenfonds het toestemmingsvereiste van artikel 9, vierde lid, Zfw mag tegenwerpen, maar dat behandelingen alleen voor vergoeding in aanmerking komen voorzover het daarbij gaat om verstrekkingen als bedoeld in het Vb.

Uit het voorgaande volgt dat gedaagde terecht afwijzend op de aanvraag van appellante heeft beslist.

Hieruit vloeit tevens voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft, als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2004.

(get.) M.I. ’t Hooft.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Zfw | Zfw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x