Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Zfw
x
LJN:
x
AU1032
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vordering van schadevergoeding omdat betrokkene, in strijd met de ter zake op hem rustende wettelijke verplichting, het ziekenfonds niet tijdig in kennis heeft gesteld van het einde van de ziekenfondsverzekering.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3455 ZFW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de onderlinge waarborgmaatschappij NUTS Zorgverzekering U.A., gevestigd te ís-Gravenhage, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. P.H.W. Spoelstra, toentertijd werkzaam bij Bureau Rechtshulp te Leiden en thans advocaat bij Bureau Rechtshulp te ís-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Gravenhage van 16 juni 2003, reg.nr. 02/4100 ZFW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 15 juni 2005, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier, wat de feiten betreft, met het volgende.

Gedaagde heeft op 28 februari 2002 van appellant bericht ontvangen dat hij, ten gevolge van de beŽindiging van het - op 1 november 1999 ingegane - dienstverband met WNH Supermarkten, vanaf 1 februari 2000 geen recht meer heeft op inschrijving als ziekenfondsverzekerde.

Gedaagde heeft vervolgens bij besluit van 11 maart 2002, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 september 2002, over de periode van 1 februari 2000 tot en met 28 februari 2002 van appellant het volledige bedrag aan schadevergoeding gevorderd op grond van artikel 5, vierde lid, van de Ziekenfondswet (Zfw) en de artikelen 14, derde lid, en 22, eerste lid, van het Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant, in strijd met de terzake op hem rustende wettelijke verplichting, gedaagde niet tijdig in kennis heeft gesteld van het einde van de ziekenfondsverzekering.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 september 2002 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij kort na de beŽindiging van het dienstverband mondeling en vervolgens schriftelijk contact heeft gezocht met gedaagde; dat gedaagde op overtuigende wijze uiteen heeft gezet dat mondelinge beŽindiging van de inschrijving als ziekenfondsverzekerde aan de balie van gedaagde (of telefonisch) niet mogelijk is; dat, als appellant de inschrijving als ziekenfondsverzekerde zou hebben beŽindigd, onbegrijpelijk zou zijn dat hij nog tot en met april 2001 de nominale premie heeft betaald; dat ook overigens niet is gebleken dat appellant op een eerder moment dan in februari 2002 contact heeft gehad met gedaagde over de beŽindiging van zijn inschrijving. Voorts heeft de rechtbank de stelling van appellant dat hij op grond van artikel 4, derde lid, van de Zfw behoort tot de kring van verzekerden omdat zijn voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door het verzorgen van de (ouderlijke) huishouding, als onvoldoende onderbouwd verworpen.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad is, met de rechtbank en op grond van dezelfde overwegingen, van oordeel dat gedaagde bevoegd was om ten aanzien van appellant toepassing te geven aan de bevoegdheid om schadevergoeding te vorderen. De Raad voegt daaraan nog toe, dat op het door appellant op 17 december 1999 ingevulde en ondertekende aanmeldingsformulier ziekenfondsverzekering is vermeld dat zodra niet langer aan de voorwaarden voor inschrijving als verzekerde wordt voldaan, afmelding schriftelijk dient te geschieden en dat indien dit wordt nagelaten, door gedaagde schadevergoeding kan worden gevorderd. Niet is gebleken dat de wijze waarop gedaagde van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, onrechtmatig zou zijn.

De Raad overweegt voorts dat de rechtbank terecht voorbij is gegaan aan het beroep van appellant op artikel 4, derde lid, van de Zfw.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. M.I. ít Hooft en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Zfw | Zfw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x