Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Zfw
x
LJN:
x
AX5821
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing van de aanvraag voor een behandeling in het kader van de Zfw, omdat de endoscopische laseroperatie aan de wervelkolom naar de huidige stand van zaken nog geen gebruikelijke behandeling is.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/5913 ZFW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 22 oktober 2003, 03/249 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

OWM Ziekenfonds Het Groene Land U.A., gevestigd te Zwolle (hierna: Ziekenfonds).

Datum uitspraak: 3 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. G. van Leeuwen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Ziekenfonds heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.G.C. van Schaik, juridisch adviseur te Rozendaal. Het Ziekenfonds heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Autar, werkzaam bij het Ziekenfonds.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant, ten tijde in geding verzekerd ingevolge de - inmiddels vervallen - Ziekenfondswet (Zfw), is in 1996 en 1998 geopereerd in verband met rugklachten. Nadien bleven rug- en beenklachten bestaan. Nadat appellant was uitbehandeld in Nederland voor zijn rug- en beenklachten, heeft hij op 15 maart 2002 de orthopedisch chirurg drs. E.P. Abbink te Gescher (Duitsland) geconsulteerd. Deze arts heeft bij brief aan appellant van 18 maart 2002 aangegeven dat er sprake is van afwijkingen in het wervelkanaal en de uitgangen voor de zenuwen op de niveaus L4-5 en L5-S1 en dat twee operaties noodzakelijk zijn om de klachten te verminderen. De eerste operatie betreft een minimale invasieve, endoscopische, weefselsparende en laserondersteunde ingreep om de direct buiten de wervelkolom gelegen structuren te decomprimeren. Een tweede operatie is nodig om de structuren in het wervelkanaal te ontlasten.

Bij brief van 15 april 2002 heeft appellant het Ziekenfonds verzocht om vergoeding van de kosten verband houdende met de door drs. Abbink voorgestelde operaties.

Het Ziekenfonds heeft die aanvraag bij besluit van 22 mei 2002 afgewezen.

Op 24 juni 2002 en 8 juli 2002 hebben de genoemde operaties plaatsgehad.

Bij brief van 17 juni 2002 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 mei 2002. In het kader van de behandeling van het bezwaar heeft het College voor Zorgverzekeringen (CvZ) op 28 januari 2003 schriftelijk advies uitgebracht aan het Ziekenfonds.

Bij besluit van 7 februari 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft het Ziekenfonds het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 mei 2002 ongegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat de endoscopische laseroperatie aan de wervelkolom naar de huidige stand van zaken nog geen gebruikelijke behandeling is.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft onder verwijzing naar de artikelen 8 en 9 van de Zfw, de artikelen 12 en 13 van het Verstrekkingenbesluit Ziekenfondsverzekering (Vb) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ) in de zaak Geraerts-Smits en Peerbooms overwogen dat beoordeeld dient te worden of de door appellant ondergane operatie - de endoscopische laser foraminoplastiek (ELF) - door de internationale kring van beroepsgenoten als voldoende beproefd en deugdelijk is bevonden en daarmee als gebruikelijk in de kring van beroepsgenoten aangemerkt moet worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Ziekenfonds genoemd criterium toegepast. Daarbij is verwezen naar het CVZ-advies van 26 november 2002 (RZA 2003/6). Ten slotte heeft de rechtbank het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen omdat niet is gebleken dat het door appellant aangevoerde geval gelijk is aan de situatie van appellant.

Appellant heeft in hoger beroep tegen deze uitspraak onder meer aangevoerd dat de ELF-behandeling als gebruikelijke behandeling moet worden aangemerkt en heeft ter staving publicaties overgelegd.

Het Ziekenfonds heeft gepersisteerd bij zijn in het bestreden besluit neergelegde standpunt en heeft commentaren van zijn medisch adviseurs Th. J. Kuiper en J. van Hooidonk van respectievelijk februari 2004 en 21 december 2005 overgelegd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de vraag of het Ziekenfonds zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat, ten tijde hier in geding, de ELF-behandeling niet als gebruikelijke behandeling kan worden aangemerkt.

Gelet op alle thans ter beschikking staande gegevens, is de Raad, evenals de rechtbank in de aangevallen uitspraak, met de strekking waarvan de Raad zich verenigt, tot het oordeel gekomen dat het Ziekenfonds bij het bestreden besluit terecht de aanvraag van appellant heeft afgewezen omdat geen sprake is van een gebruikelijke behandeling.

Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen:
- dat het CVZ in zijn advies van 28 januari 2003 onder verwijzing naar de stand van de internationale medische wetenschap heeft geoordeeld dat geen sprake is van een gebruikelijke behandeling;
- dat het CvZ dit standpunt reeds eerder had neergelegd in een advies van 26 november 2002 (RZA 2003/6);
- dat in de evaluatie van de Universiteit van Birmingham van juni 2001 - waarnaar is verwezen in het CvZ-advies van 26 november 2002 - is geconcludeerd dat tot het moment dat de resultaten van een geplande trial studie bekend zijn de ‘true impact’ van ELF niet bekend is en dat de resultaten van een randomised controlled trial (RCT) niet eerder beschikbaar is dan over 4 tot 6 jaar.

Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.I. ’t Hooft als voorzitter en H.J. de Mooij en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2006.

(get.) M.I. ’t Hooft.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Zfw | Zfw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x