Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Zfw
x
LJN:
x
AY4168
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de aanvraag van betrokkene om haar op grond van het bepaalde bij en krachtens de Zfw een hulpmiddel te verstrekken in de vorm van een aangepaste rookmelder met licht- en trilsignaal terecht afgewezen?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/2722 ZFW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de onderlinge waarborgmaatschappij Groene Land PWZ Zorgverzekeraar U.A., gevestigd te Zwolle (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 7 april 2004, 03/1188 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 4 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.A.M. van der Goot-Andela, werkzaam bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand te Leeuwarden, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.B. Gschwind, werkzaam bij appellant. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Goot-Andela en een tolk gebarentaal.




II. OVERWEGINGEN


Betrokkene is auditief gehandicapt. Bij aanvraag van 7 september 2002 heeft zij appellant verzocht om haar op grond van het bepaalde bij en krachtens de Ziekenfondswet (hierna: Zfw) een hulpmiddel te verstrekken in de vorm van een aangepaste rookmelder met licht- en trilsignaal. Daarbij is een offerte voor een VisiBel alarmzender overgelegd ten bedrage van € 266,08.

Appellant heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 23 september 2002.

Betrokkene heeft daartegen op 21 oktober 2002 bezwaar gemaakt.

Het College voor zorgverzekeringen (hierna: Cvz) heeft bij brief van 28 mei 2003 van advies gediend.

Appellant heeft het bezwaar tegen het besluit van 23 september 2002 overeenkomstig het advies van Cvz bij besluit van 5 juni 2003 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op het standpunt dat een aangepaste rookmelder niet kan worden aangemerkt als een verstrekking ingevolge de Zfw nu het daarbij niet gaat om een hulpmiddel dat de verzekerde in staat stelt zelfstandig te functioneren en deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer, maar om een middel voor persoonlijke beveiliging, net als een inbraakalarm.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 5 juni 2003 gegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de aangevraagde rookmelder moet worden aangemerkt als een waarschuwingsinstallatie als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onder j, onder 1, van de Regeling hulpmiddelen 1996 (hierna: Regeling), zodat betrokkene ingevolge artikel 8 van de Zfw recht heeft op verstrekking ervan. Deze aangepaste rookmelder heeft immers tot doel de auditief gehandicapte te alarmeren of te waarschuwen bij brand of rook. Noch in de toelichting op artikel 26 van de Regeling, noch in de jurisprudentie zijn aanknopingspunten te vinden voor het standpunt dat onder de in dat artikel bedoelde waarschuwingsinstallaties geen apparatuur kan worden begrepen die bedoeld is voor persoonlijke bescherming.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat geenszins het standpunt is ingenomen dat onder waarschuwingsapparatuur geen apparatuur kan worden begrepen die bedoeld is voor persoonlijke bescherming. Appellant stelt zich wel op het standpunt dat verzekerden ingevolge artikel 8 van de Zfw aanspraak hebben op nader omschreven verstrekkingen ter voorziening in hun geneeskundige verzorging. Door verstrekking van een wek- en waarschuwingsinstallatie wordt een auditief gehandicapte verzekerde in staat gesteld om met de handicap zelfstandig te functioneren en zoveel mogelijk aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen. De aangevraagde rookmelder is daarentegen bedoeld voor persoonlijke bescherming. Het treffen van veiligheidsmaatregelen in de woonomgeving in de vorm van brand- of inbraakalarm behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van verzekerden. Verwezen is naar het advies van Cvz van 19 februari 2001, gepubliceerd in RZA 2001/27. Appellant is van mening dat de rechtbank aan het begrip geneeskundige verzorging een uitbreiding heeft gegeven die strijdig is met het doel van de ziekenfondsverzekering.

Betrokkene heeft aangevoerd dat zij het geluidssignaal van een normale rookmelder niet kan horen en dat zij aangewezen is op waarschuwingen door middel van een licht- of trilsignaal. Op grond van artikel 26, eerste lid, onder j, onder 1, van de Regeling heeft zij recht op verstrekking van wek- en waarschuwingsinstallaties. Installaties die bestemd zijn voor persoonlijke bescherming zijn daarvan niet uitgezonderd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Zfw hebben verzekerden aanspraak op verstrekkingen ter voorziening in hun geneeskundige verzorging, voor zover met betrekking tot die zorg geen aanspraak bestaat ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Zfw kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat aanspraak bestaat op andere vormen van zorg dan de zorg, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Zfw. Artikel 8, derde lid, van de Zfw bepaalt dat de inhoud en omvang van de aanspraken bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van het Verstrekkingenbesluit Ziekenfondsverzekering (hierna: Verstrekkingenbesluit) omvat de aanspraak op hulpmiddelen die middelen welke in de Regeling als zodanig zijn aangewezen.

Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder t, van de Regeling omvat de aanspraak op hulpmiddelen de verschaffing in eigendom van te allen tijde adequaat functionerende hulpmiddelen voor communicatie, informatievoorziening en signalering als aangegeven in artikel 26 van de Regeling.

Volgens artikel 26, eerste lid, onder j, onder 1, van de Regeling zijn de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder t, van de Regeling bedoelde middelen: signaleringsapparatuur en alarmeringssystemen: wek- en waarschuwingsinstallaties ten behoeve van auditief gehandicapten.

Volgens vaste rechtspraak - zie onder meer de uitspraak van de Raad van 26 april 2000, (LJN AE9287) - behelzen de Zfw en de daarop berustende regelingen een gesloten systeem van de ten laste van de in deze wet geregelde verzekering komende verstrekkingen, in die zin dat in beginsel op geen andere verstrekkingen aanspraak bestaat dan in deze regelgeving is bepaald. Ten aanzien van hulpmiddelen stelt de Raad verder vast dat aan dit gesloten systeem vorm en inhoud is gegeven door het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van het Verstrekkingenbesluit en de daarop berustende Regeling, waarin een limitatieve en nauw omschreven opsomming van hulpmiddelen is gegeven en de gevallen waarin daarop - al dan niet - aanspraak bestaat. Voorts vloeit uit de vaste jurisprudentie van de Raad - zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 oktober 2000 (LJN: AA9346) - voort dat in de aard van een dergelijk enumeratief en limitatief systeem van aanspraken besloten ligt dat er in beginsel geen ruimte is voor een extensieve interpretatie van de daarin geregelde aanspraken en gevallen.

De Raad is van oordeel dat in dit systeem voorts besloten ligt dat er gegeven de op zichzelf genomen duidelijke tekst van de van toepassing zijnde bepalingen in beginsel geen ruimte is voor een beperkende uitleg, zoals door appellant voorgestaan, in die zin dat slechts aanspraak zou bestaan op de in die bepalingen genoemde hulpmiddelen voor zover deze in functie staan van de strekking van de Zfw om de verzekerde in staat te stellen zelfstandig te functioneren en deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Appellant heeft niet duidelijk kunnen maken waarop deze omschrijving van de strekking van de Zfw is gegrond en evenmin dat deze strekking, in weerwil van de duidelijke tekst van deze bepalingen, dwingend zou moeten leiden tot de voorgestane beperkende uitleg. De verwijzing naar het advies van Cvz van 19 februari 2001 acht de Raad ontoereikend, nu ook dit advies niet duidelijk maakt waarom de aanspraak op waarschuwingsinstallaties als bedoeld in artikel 26 van de Regeling beperkt is tot die apparatuur welke ertoe strekt de verzekerde in staat te stellen om zelfstandig te functioneren en zoveel mogelijk aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen en waarom deze apparatuur niet bedoeld mag zijn voor hun persoonlijke bescherming aangezien dit tot de eigen verantwoordelijkheid van de betrokken auditief gehandicapten behoort. Enige onderbouwing van dit standpunt ontbreekt.

Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand, op € 46,29 voor bijstand door de tolk gebarentaal en op € 19,90 voor reiskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep tot een bedrag € 710,19;
Bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 422,--.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en R.M. van Male en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2006.

(get.) T.G.M. Simons.

(get.) L. Jörg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Zfw | Zfw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x