Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Zfw
x
LJN:
x
AY6877
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering vergoeding van de kosten van een plastisch-chirurgische behandeling in de vorm van een mammareductie en een mediale dijlift, omdat er geen sprake is van een verminking of van aantoonbare lichamelijke functiestoornissen. De psychische problemen vormen geen wettelijke grondslag voor de gewenste verstrekking.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/5909 ZFW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Hertogenbosch van 21 september 2004, 04/595 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

Stichting Centrale Zorgverzekeraars (hierna: CZ).

Datum uitspraak: 9 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Vanwege appellante is hoger beroep ingesteld.

CZ heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere stukken ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 augustus 2006, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.A.W. Ketelaars, advocaat te Helmond. Voor CZ is opgetreden K.T.K. Staffhorst, werkzaam bij CZ.




II. OVERWEGINGEN


Appellante is, na een maagverkleiningsoperatie in het Academisch Ziekenhuis Maastricht, in gewicht afgenomen, waarna de mammae zijn gaan hangen en een huidsurplus aan de benen is overgebleven. In verband daarmee heeft dr. R. van der Hulst, plastisch chirurg te Maastricht, namens appellante bij brief van 17 januari 2003 verzocht om vergoeding van de kosten van plastisch-chirurgische behandeling in de vorm van een mammareductie en een mediale dijlift.

CZ heeft die aanvraag bij besluit van 1 augustus 2003 afgewezen.

De Commissie Verstrekkingengeschillen van het College voor zorgverzekering (CVZ) heeft bij brief van 15 januari 2004 aangegeven zich met deze afwijzing te kunnen verenigen.

CZ heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 augustus 2003 bij besluit van 21 januari 2004 ongegrond verklaard. Er is volgens CZ geen sprake van een verminking of van aantoonbare lichamelijke functiestoornissen, zoals bedoeld in artikel 2 van de destijds geldende Regeling medisch-specialistische zorg Ziekenfondswet (hierna: Regeling). Voorts heeft CZ aangegeven dat de Regeling geen ruimte biedt voor honorering van de aanvraag op basis van psychische klachten.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 21 januari 2004 ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat geen sprake is van lichamelijke functiestoornissen of van een verminking als bedoeld in de Regeling.

In hoger beroep heeft appellante de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Gelet op alle thans ter beschikking staande gegevens, is de Raad, evenals de rechtbank in de aangevallen uitspraak, met de strekking waarvan de Raad zich verenigt, tot het oordeel gekomen dat CZ bij het besluit van 21 januari 2004 terecht de aanvraag van appellante heeft afgewezen, omdat niet wordt voldaan aan de in artikel 2 van de ten tijde hier in geding toepasselijke Regeling genoemde criteria. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen de in wezen eensluidende bevindingen van de medisch adviseur van CZ K. Vermeulen van 28 juli 2003 die appellante heeft gezien op haar spreekuur, het advies van de medisch adviseur van CZ A. Lenssen en de vanwege appellante ingezonden brief van 29 november 2004 van drs. A.W.C. van Esch, arts. Ook heeft de Raad de aanvraag van 17 januari 2003 van de plastisch chirurg dr. R. van der Hulst bij zijn oordeel betrokken.
K. Vermeulen heeft een gedetailleerd verslag van het spreekuurbezoek opgemaakt, waarin enerzijds de klachten van appellante worden vermeld en anderzijds de bevindingen van het onderzoek dat K. Vermeulen naar aanleiding van die klachten heeft verricht. Zij geeft aan dat de borsten ptotisch zijn en dat aan de binnenzijde van de bovenbenen een bolling van overtollige huid is. Er is daar echter geen sprake van roodheid of irritaties.
Drs. Van Esch heeft noch wat betreft de mammae, noch wat betreft de benen melding gemaakt van smetten. Voor wat betreft de mammae heeft hij zelfs expliciet vermeld dat geen sprake is van smetten of huidirritatie.
In de aanvraag van dr. R. van der Hulst is - gelet op de toepasselijke criteria - in geen enkel opzicht overtuigend onderbouwd dat sprake is van aantoonbare lichamelijke functiestoornissen respectievelijk verminking als bedoeld in de Regeling.
De door appellante ingezonden fotoís kunnen niet leiden tot een ander oordeel.

Van een voortgezette behandeling in de zin van de daarop betrekking hebbende vaste jurisprudentie van de Raad is slechts sprake indien het een ingreep betreft die strekt tot het alsnog bewerkstelligen van het met de betreffende vorige operatie beoogde, en naar medisch deskundige oordeel in redelijkheid haalbare operatieresultaat. Gelet op de aanwezige gegevens kan niet gezegd worden dat de door appellante aangevraagde mammareductie en dijlift strekken tot het met de maagverkleining beoogde operatieresultaat.

Van het betrokken bestuursorgaan - CZ - bindende toezeggingen is in het onderhavige geval niet gebleken.

Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.I. ít Hooft. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
M. Renden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2006.

(get.) M.I. ít Hooft.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Zfw | Zfw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x