Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Zfw
x
LJN:
x
AY6883
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering vergoeding van de kosten van een plastisch-chirurgische behandeling en een dijbeenlift aan beide zijden, omdat er geen sprake is van een verminking of van aantoonbare lichamelijke functiestoornissen. De psychische problemen vormen geen wettelijke grondslag voor de gewenste verstrekking.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/5051 ZFW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 augustus 2004, 04/203 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

Stichting Centrale Zorgverzekeraars (hierna: CZ).

Datum uitspraak: 9 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 augustus 2006, waar appellante niet is verschenen en waar CZ zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. K.T.K. Staffhorst, werkzaam bij CZ.




II. OVERWEGINGEN


Bij brief van 1 april 2003 heeft plastisch chirurg prof. dr. W.D. Boeckx namens appellante CZ verzocht om toestemming voor een dijbeenlift aan beide zijden.
CZ heeft die aanvraag bij besluit van 27 juni 2003 afgewezen. De Commissie Verstrekkingengeschillen van het College voor Zorgverzekeringen (CvZ) heeft bij brief van 15 januari 2004 aangegeven zich met de afwijzing te kunnen verenigen.

CZ heeft bij besluit van 22 januari 2004 vastgehouden aan zijn standpunt dat appellante niet voldoet aan de criteria voor vergoeding van een plastisch-chirurgische behandeling als aangevraagd. Er is volgens CZ geen sprake van een verminking of van aantoonbare lichamelijke functiestoornissen, zoals bedoeld in artikel 2 van de destijds geldende Regeling medisch-specialistische zorg Ziekenfondswet (hierna: Regeling). Voorts heeft CZ aangegeven dat de Regeling geen ruimte biedt voor honorering van de aanvraag op basis van psychische klachten.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 22 januari 2004 ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat geen sprake is van lichamelijke functiestoornissen of van een verminking als bedoeld in de Regeling, dat geen sprake is van een voortgezette operatie en dat psychische problemen geen wettelijke grondslag vormen voor de gewenste verstrekking.

Appellante benadrukt in hoger beroep dat zij dagelijks psychische en lichamelijke pijn ondervindt en dat er medische fouten zijn gemaakt die haar niet aangerekend kunnen worden.

De Raad is evenals de rechtbank in de aangevallen uitspraak, met de strekking waarvan de Raad zich verenigt, tot het oordeel gekomen dat CZ terecht de aanvraag van appellante heeft afgewezen, omdat niet wordt voldaan aan de in artikel 2 van de ten tijde hier in geding toepasselijke Regeling genoemde criteria. Daarbij heeft de Raad met name in aanmerking genomen de bevindingen van de medisch adviseur van CZ van 4 september 2003 die appellante heeft onderzocht op haar spreekuur en die blijkens haar rapport van die datum zich rekenschap heeft gegeven van de gegevens vermeld op de aanvraag van 1 april 2003 van de behandelend plastisch chirurg en van de door appellante ingezonden aanvullende informatie. Voor de door appellante genoemde pijnklachten is in de medische gegevens geen onderbouwing te vinden. Psychische klachten vormen geen wettelijke grondslag voor een plastisch-chirurgische behandeling.
De stelling dat er bij eerdere operaties medische fouten zijn gemaakt die appellante niet aangerekend kunnen worden, kan op zichzelf niet leiden tot een aanspraak op de door appellante gewenste verstrekking. Voor zover appellante erop doelt dat sprake zou zijn van een zogenoemde voortgezette behandeling in de zin van de daarop betrekking hebbende vaste jurisprudentie van de Raad, overweegt de Raad dat van zulk een voortgezette behandeling slechts sprake is indien het een ingreep betreft die strekt tot het alsnog bewerkstelligen van het met de betreffende vorige operatie beoogde, en naar medisch deskundige oordeel in redelijkheid haalbare operatieresultaat. Gelet op de aanwezige gegevens kan niet gezegd worden dat de door appellante aangevraagde dijbeenlift strekt tot het met de galoperatie en/of de maagverkleiningsoperaties beoogde operatieresultaat.

Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.I. ít Hooft. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2006.

(get.) M.I. ít Hooft.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Zfw | Zfw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x