Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Ioaw
x
LJN:
x
AF8848
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-12-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Op de echtgenote van betrokkene rust de arbeidsplicht omdat zij nog geen 57,5 jaar is en derhalve niet in aanmerking komt voor ontheffing van de arbeidsverplichtingen.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 00/5155 NIOAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldrop, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op de bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 14 augustus 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij brief van 2 november 2000 heeft hij de gronden van het hoger beroep toegelicht.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant bij brief van 19 november 2000 heeft gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 12 november 2002, waar appellant, zoals aangekondigd, niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G. Kamminga, werkzaam bij de gemeente Geldrop.




II. MOTIVERING


Appellant heeft tot 1 juli 1994 in dienstbetrekking gewerkt. Aansluitend heeft hij gedurende de maximale uitkeringsduur een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen. Op 7 mei 1999 heeft hij bij gedaagde een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw).

Bij besluit van 11 juni 1999 heeft gedaagde aan appellant en diens echtgenote met ingang van 1 juni 1999 de gevraagde uitkering toegekend. Daarbij is - voor zover hier van belang - bepaald dat voor de echtgenote van appellant tot haar 60ste jaar de arbeidsplicht geldt omdat zij op 1 mei 1999 nog niet de leeftijd van 57,5 jaar heeft bereikt. Bij besluit van 28 september 1999 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 juni 1999, welk bezwaar zich richtte tegen het opleggen van de arbeidsplicht aan diens echtgenote, ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 28 september 1999 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
"In artikel 34, lid 1, van de Ioaw is - kort gezegd - bepaald dat de in het kader van deze wet toegekende uitkering erop gericht is de belanghebbende in staat te stellen zelfstandig in het bestaan te voorzien. Om die reden dient de belanghebbende - op grond van artikel 35, lid 1, van de Ioaw - aan een aantal arbeidsverplichtingen te voldoen. Indien de uitkering wordt verleend aan echtgenoten gelden de verplichtingen voor ieder van hen, aldus het derde lid van artikel 35 Ioaw. Op grond van het vijfde lid van artikel 35 van de Ioaw heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 13 juni 1996 de zogenaamde Regeling vrijstelling verplichtingen Ioaw en Ioaz vastgesteld (hierna: de Regeling), laatstelijk gewijzigd bij ministerieel besluit van 25 februari 1999 (Staatscourant 1999,40). In artikel 1, lid 1, van de Regeling is - kort gezegd - bepaald dat belanghebbenden die ouder zijn dan 57,5 jaar vrijgesteld zijn van de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder a, e en f, van de Ioaw en dat belanghebbenden die op 1 mei 1999 ouder zijn dan 57,5 jaar eveneens worden vrijgesteld van de overige in artikel 35, eerste lid, van de Ioaw genoemde verplichtingen.

Niet in geschil is dat eiser op 1 mei 1999 ouder was dan 57,5 jaar en derhalve op grond van bovenstaande regelingen vrijgesteld was van de in artikel 35, eerste lid, van de Ioaw genoemde verplichtingen. Eisers echtgenote, geboren [in] februari 1942, was op 1 mei 1999 (en ook op 1 juni 1999) niet ouder dan 57,5 jaar. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op grond van bovenstaande regelgeving in het bestreden besluit terecht bepaald dat eisers echtgenote onder meer verplicht was zich als werkzoekende te laten registreren.

Niettemin kan het bestreden besluit niet in stand blijven. Verweerder heeft in het bestreden besluit in strijd gehandeld met het in artikel 7:11, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalde door op geen enkele wijze aandacht te besteden aan het bezwaar van eiser, kort gezegd inhoudende dat verweerders besluit in strijd was met de rechtszekerheid. Mitsdien komt het bestreden besluit wegens een ontoereikende motivering voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank zal evenwel de rechtsgevolgen van dat besluit met toepassing van artikel 8:72, lid 3, van de Awb geheel in stand laten, nu niet kan worden gezegd dat de door verweerder toegepaste regelgeving wegens strijd met de rechtszekerheid buiten toepassing zou moeten worden gelaten. Het moge zo zijn dat eiser bij zijn uittreden uit het arbeidsproces in juni 1994 de thans opgelegde arbeidsverplichting niet heeft kunnen voorzien, maar geen enkele burger mag er op rekenen dat wet- en regelgeving in de toekomst niet gewijzigd zal worden respectievelijk dat hij of zij van de toekomstige gevolgen van een dergelijke wijziging gevrijwaard zal blijven."

Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Hij heeft in dit verband naar voren gebracht dat zijn echtgenote een dagtaak heeft aan haar huishoudelijke werkzaamheden die, gezien haar medische beperkingen, een zware belasting voor haar betekenen. Voorts acht appellant het onjuist dat veranderingen op het terrein van de sociale wetgeving wl worden toegepast indien zij ongunstig uitwerken maar niet indien zij gunstig uitpakken.

Hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot het oordeel kunnen brengen dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, niet in stand kan blijven.

Uitgangspunt van de Ioaw is dat een ieder primair zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan. Omdat de Ioaw-uitkering aan appellant en diens echtgenote gezamenlijk toekomt, betekent dit uitgangspunt dat ook aan de echtgenote van appellant de arbeidsplicht dient te worden opgelegd tenzij redenen van medische of sociale aard dan wel redenen gelegen in de aard en het doel van de uitkering zich daartegen zouden verzetten.

De Raad acht onvoldoende aannemelijk gemaakt dat aan de echtgenote van appellant de arbeidsplicht om medische redenen niet zou kunnen worden opgelegd. Niet alleen heeft appellant in zijn bezwaarschrift geen gewag gemaakt van medische problemen die zijn echtgenote zouden beletten om de aan haar in het kader van de arbeidsplicht opgelegde voorwaarden na te komen maar ook heeft hij ter zake geen medische gegevens overgelegd. Voorts heeft de gemachtigde van gedaagde ter zitting onweersproken gesteld dat bij de behandeling van het bezwaarschrift aan appellant is voorgesteld om diens echtgenote door een arts van de GGD te doen onderzoeken maar dat appellant op dat voorstel niet wilde ingaan. De Raad houdt het er dan ook voor dat er geen medische redenen zijn die de echtgenote van appellant belemmeren om de aan haar in het kader van de arbeidsplicht opgelegde voorwaarden te voldoen, terwijl niet is gesteld of gebleken dat redenen van sociale aard of gelegen in de aard of het doel van de uitkering zich daartegen verzetten.

Ten aanzien van de tweede, hiervoor vermelde grief van appellant overweegt de Raad dat het de regelgever is die regels en daarbij behorende bepalingen van overgangsrecht stelt. Gedaagde is vervolgens gehouden bij de toekenning van een uitkering die regels in acht te nemen en het staat hem niet vrij die regels buiten toepassing te laten.

Gelet op het vorenoverwogene dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 december 2002.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) mr. M.C.M. Hamer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Ioaw | Ioaw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x