Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Ioaw
x
LJN:
x
AQ2488
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-07-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging Ioaw-uitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Kostgangersrelatie?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/572 NIOAW en 04/986 NIOAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vianen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. A.M.F. Fabisch, advocaat te Woerden, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Dordrecht op 14 december 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. AWB 01/478, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en daarbij onder meer zijn nieuwe besluit op bezwaar van 5 maart 2002 aan de Raad overgelegd.

Namens appellant zijn vervolgens nog stukken aan de Raad overgelegd.

Het geding is behandeld ter zitting van 1 juni 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Fabisch, en waar hij als getuige heeft meegebracht C.K. van Scherpenzeel. Gedaagde heeft zich daar doen vertegenwoordigen door A. van Baren, werkzaam bij de gemeente Vianen.




II. MOTIVERING


Appellant ontving sedert 30 maart 1998 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), berekend naar de grondslag voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van een heronderzoek heeft de sociale recherche op verzoek van gedaagde een bijzonder onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant, die volgens zijn opgave als kostganger inwoonde bij mevrouw [betrokkene], [adres] te [woonplaats].
In het kader van dit onderzoek hebben appellant en [betrokkene] op 14 juli 2000 ten overstaan van de sociale recherche verklaringen afgelegd, welke zijn vastgelegd in een proces-verbaal van verhoor. Uit het resultaat van het onderzoek heeft gedaagde afgeleid dat er tussen appellant en [betrokkene] geen kostgangersrelatie bestaat, doch dat sprake is van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, van de Ioaw.

Bij besluit van 24 oktober 2000 heeft gedaagde de uitkering van appellant met ingang van 1 oktober 2000 op die grond beŽindigd.

Bij besluit van 13 maart 2001 heeft gedaagde de namens appellant tegen het besluit van 24 oktober 2000 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Hierbij heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat appellant geen medewerking heeft verleend aan het vaststellen van het inkomen van [betrokkene], zodat gedaagde niet heeft kunnen bepalen of ten aanzien van appellant nog een (gedeeltelijk) recht op uitkering is blijven bestaan.

Namens appellant is tegen het besluit van 13 maart 2001 beroep ingesteld.

De rechtbank heeft zich bij de aangevallen uitspraak met het standpunt van gedaagde kunnen verenigen dat ten aanzien van appellant en [betrokkene] sprake is van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, van de Ioaw. De rechtbank heeft in die uitspraak echter ook overwogen dat gedaagde heeft nagelaten een onderzoek te verrichten met betrekking tot de hoogte van het gezamenlijke inkomen van appellant en [betrokkene]. De rechtbank heeft hieraan de conclusie verbonden dat de beŽindiging van de uitkering van appellant in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zij heeft het beroep op die grond gegrond verklaard en het besluit van 13 maart 2001 vernietigd, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank gekeerd, voorzover dat inhoudt dat sprake was van een gezamenlijke huishouding met [betrokkene]. Daarbij is benadrukt dat het gaat om een kostgangersrelatie welke zeker bij jarenlange bestendiging verder strekt dan een puur commerciŽle relatie, maar niet kan worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding als vorenbedoeld.

Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft gedaagde op 5 maart 2002 een nieuw besluit genomen. Bij dit besluit is de uitkering van appellant ingaande 1 oktober 2000 beŽindigd op de grond dat appellant de in artikel 13, eerste lid, van de Ioaw, neergelegde inlichtingenverplichting niet naar behoren is nagekomen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de gegevens van het opsporingsonderzoek, waaronder in het bijzonder de door appellant en [betrokkene] ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaringen, genoegzaam naar voren is gekomen dat appellant ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, van de Ioaw voerde met [betrokkene] en dat tussen hen geen sprake was van een kostgangersrelatie.

Uit de gedingstukken en hetgeen ter zitting van de zijde van appellant en door [betrokkene] nog naar voren is gebracht is de Raad niet gebleken dat die verklaringen onder ontoelaatbare druk tot stand zijn gekomen en dat ze in essentie geen juiste weergave bevatten van hetgeen ten overstaan van de sociale recherche is verklaard. Appellant en [betrokkene] moeten dan ook aan hun verklaringen van 14 juli 2000 worden gehouden.

De Raad kan hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen omtrent de gezamenlijke huishouding van appellant en [betrokkene] en de door appellant gestelde kostgangersrelatie volledig onderschrijven. Hij voegt daar nog het volgende aan toe.

Het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst behoeft op zichzelf nog geen belemmering te zijn voor het bestaan van een kostgangersrelatie, indien althans op andere wijze kan worden aangetoond dat tegen betaling of enige andere concrete prestatie, onderdak en verzorging wordt verschaft ter uitvoering van een zakelijke overeenkomst. Daarvan is in dit geval echter niet gebleken. De Raad is van oordeel dat de situatie waarin appellant en [betrokkene] verkeerden ver uitstijgt boven hetgeen in een commerciŽle kostgangersrelatie gebruikelijk is. Hierbij doelt de Raad vooral op de omstandigheid dat uit de verklaringen blijkt dat appellant en [betrokkene] in aanzienlijke mate zorgdragen voor elkaar en er geen duidelijke afbakening is in hun woon- en leefsituatie, zoals gebruikelijk bij een kostgangersrelatie. Zo doen appellant en [betrokkene] gezamenlijk boodschappen, koken zij om beurten, gebruiken zij alle maaltijden gezamenlijk en zijn zij meerdere malen samen met vakantie naar het buitenland geweest. Verder gebruikt appellant ook vrijwel alle ruimtes van het huis. In dit verband overweegt de Raad ten slotte dat het door appellant in hoger beroep overgelegde kamerhuurcontract reeds vanwege de ingangsdatum van 1 november 2003 voor dit geding geen betekenis kan hebben.

Gezien het voorgaande kan het hoger beroep niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, bevestigd moet worden.

Met betrekking tot het besluit van gedaagde van 5 maart 2002 overweegt de Raad het volgende.

De Raad stelt eerst vast dat dit besluit een aanvulling is op het besluit van 13 maart 2001, in zoverre het de beŽindiging van de uitkering per 1 oktober 2000 betreft. De Raad merkt het besluit van 5 maart 2002 aan als een besluit in de zin van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, zodat de Raad dit besluit op grond van artikel 6:24 van de Awb bij zijn beoordeling dient te betrekken.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak diende gedaagde, uitgaande van een - ook door de rechtbank aangenomen - gezamenlijke huishouding van appellant met [betrokkene], te onderzoeken of een recht op uitkering resteerde, rekening houdend met het inkomen van [betrokkene]. In het besluit van 5 maart 2002 heeft gedaagde overwogen dat appellant in de gelegenheid is gesteld inkomensgegevens van [betrokkene] te verstrekken, maar dat appellant onder verwijzing naar het lopende hoger beroep die gelegenheid niet heeft willen benutten. Appellant heeft dit in hoger beroep niet betwist. Als gevolg daarvan heeft gedaagde terecht vastgesteld dat appellant niet heeft voldaan aan de in artikel 13, eerste lid, van de Ioaw neergelegde inlichtingenverplichting als gevolg waarvan niet kon worden vastgesteld of appellant per 1 oktober 2000 nog recht had op uitkering. Gedaagde heeft de beŽindiging van de uitkering van appellant per die datum derhalve terecht gehandhaafd.

Het beroep van appellant, voorzover dit geacht wordt gericht te zijn tegen het besluit van 5 maart 2002, moet dan ook ongegrond worden verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep, voorzover dit geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van 5 maart 2002, ongegrond.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2004.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) S.W.H. Peeters.




Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Ioaw | Ioaw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x