Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Ioaw
x
LJN:
x
AT4952
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing aanvraag voor Ioaw-uitkering omdat het totale inkomen van betrokkene per maand hoger is dan de voor een echtpaar geldende grondslag. Is de uitkering uit hoofde van het stamrecht terecht aangemerkt als inkomen in verband met arbeid?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/4792 IOAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. T. Keidel, werkzaam bij CNV Rechtshulp te Drachten, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 augustus 2002, reg.nr. 00/1642 IOAW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 september 2004. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D.W.M. Koekoek, eveneens werkzaam bij CNV Rechtshulp te Drachten. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door N.F.K. Tempelman, werkzaam bij de gemeente Ede.




II. MOTIVERING


De Raad gaat, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij brief van 24 januari 1994 heeft de toenmalige werkgever van appellant, [naam werkgever] te [vestigingsplaats], de afspraken bevestigd die tussen de werkgever en appellant zijn gemaakt met betrekking tot de beŽindiging van het dienstverband van appellant per 1 juli 1994. Op 26 januari 1994 hebben de werkgever en appellant die brief voor akkoord ondertekend. Een van de gemaakte afspraken houdt in dat, in afwijking van het geldende Sociaal Plan, aan appellant over de periode van 1 juli 1999 tot 1 juli 2006 uit een te vestigen stamrecht een aanvulling op zijn uitkering(en) ingevolge de socialezekerheidswetten wordt toegekend van f 24.000,-- bruto per jaar. Ter uitvoering daarvan heeft [naam werkgever] ten behoeve van appellant een lijfrenteverzekering afgesloten in de vorm van een stamrecht, en een bedrag van f 101.215,-- aan de verzekeraar betaald. Bij het afsluiten van de verzekering is een overdrachtsclausule opgenomen, inhoudende dat de rechten en plichten daaruit worden overgedragen aan appellant. Appellant ontvangt uit de verzekering sinds 25 juli 1999 elke drie maanden een uitkering van f 6.000,-- bruto.

Op 4 juni 1999 heeft appellant, nadat hij na het einde van het dienstverband bij [naam werkgever] de maximale duur van zijn (verlengde) uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) had bereikt, bij gedaagde een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (Ioaw) aangevraagd. Appellant ontving op dat moment tevens een uit een later dienstverband bij een andere werkgever voortvloeiende uitkering ingevolge de WW van f 1.264,25 bruto per maand.

Bij besluit van 5 oktober 1999, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 juli 2000, heeft gedaagde de aanvraag om een uitkering ingevolge de Ioaw afgewezen op de grond dat het totale inkomen van appellant per maand hoger is dan de voor een echtpaar geldende grondslag. Daarbij heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat de uitkering uit hoofde van het stamrecht moet worden aangemerkt als inkomen in verband met arbeid.

In beroep tegen het besluit van 26 juli 2000 heeft appellant aangevoerd dat een in het kader van de beŽindiging van het dienstverband aan de werknemer toegekende uitkering ineens, niet als inkomen in verband met arbeid dient te worden beschouwd, indien de werknemer kan aantonen dat hij bij de beŽindiging van het dienstverband de vrije keuze had tussen de uitbetaling, aan hem, van het bedrag ineens of de aankoop, door de werkgever, van een stamrecht. Daarbij heeft appellant zich beroepen op een brief van 7 december 1988 van de Hoofddirecteur Bijstand en Voorzieningen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Directeur van het Centraal Bureau Divosa te Utrecht. In hoger beroep heeft appellant zich in dit verband tevens beroepen op een brief van 30 december 1997 van de Directeur Bijstandszaken van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan een gemeente. Nu uit de gedingstukken duidelijk blijkt dat hij de hiervoor bedoelde vrije keuze inderdaad had dient, aldus appellant, de uitkering uit hoofde van het stamrecht niet te worden aangemerkt als inkomen in verband met arbeid (maar betreft het inkomen uit vermogen).

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 juli 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft weliswaar het standpunt van appellant onderschreven dat doorslaggevend is of al dan niet sprake is geweest van een vrije keuze, maar heeft vervolgens geoordeeld dat appellant er niet in is geslaagd aan te tonen dat daarvan in zijn geval sprake was.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen dit oordeel van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ioaw bepaalt - voorzover hier van belang - dat de werkloze werknemer en de echtgenoot met of zonder kinderen recht op uitkering heeft, indien het inkomen per maand minder bedraagt dan de overeenkomstig artikel 5, derde lid, aanhef en onder a, van de Ioaw door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgestelde grondslag.

In artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ioaw is bepaald dat voor de werkloze werknemer en de echtgenoot als inkomen wordt aangemerkt de som van het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van hemzelf en van zijn echtgenoot. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Ioaw worden - kort gezegd - bij algemene maatregel van bestuur nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld.

Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder g, van het - in artikel 8, tweede lid, van de Ioaw zijn (delegatie)grondslag vindende en met ingang van 1 januari 1987 in werking getreden - Inkomensbesluit Ioaw wordt onder inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven verstaan: loon dat uit vroegere dienstbetrekking wordt genoten, voorzover niet begrepen onder artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met e, van het Inkomensbesluit Ioaw.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van het Inkomensbesluit Ioaw wordt, in afwijking van artikel 7, eerste lid, van het Inkomensbesluit Ioaw, een eenmalige uitkering welke na beŽindiging van de dienstbetrekking aan een werknemer in verband met die beŽindiging wordt betaald, niet als inkomen in verband met arbeid beschouwd.

In geschil is of de - (drie)maandelijkse - uitkering die appellant ontvangt uit hoofde van het door [naam werkgever] ten behoeve van hem gevestigde stamrecht, wel of niet onder het toepassingsbereik van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van het Inkomensbesluit Ioaw valt.

De Raad stelt in dat verband allereerst vast dat de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de nota van toelichting bij artikel 7, eerste lid, van het Inkomensbesluit Ioaw het volgende heeft vermeld:

ďArtikel 7, eerste lid

In het eerste lid worden de inkomensbestanddelen aangewezen welke als inkomen in verband met arbeid moeten worden aangemerkt. Het gaat hier om een limitatieve opsomming van inkomensbestanddelen, waarmee bij de vaststelling van de uitkering volledig rekening moet worden gehouden.

(...)

Onderdeel g
Onder loon uit vroegere dienstbetrekking wordt verstaan alle voordelen welke een werknemer uit vroegere dienstbetrekking geniet. Te denken valt hierbij aan periodieke uitkeringen, die voortvloeien uit een stamrecht dat als schadeloosstelling voor gederfd inkomen is toegekend. Een en ander voor zover deze inkomenbestanddelen niet reeds op grond van de onderdelen a, b, c, d, e en f als inkomen in verband met arbeid worden beschouwd.Ē

Hieruit blijkt dat de besluitgever als uitgangspunt heeft genomen dat periodieke uitkeringen uit hoofde van een stamrecht dat in het kader van de beŽindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer wordt toegekend, moeten worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking en derhalve als inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven.

De Raad stelt vervolgens vast dat de in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van het Inkomenbesluit Ioaw op de hoofdregel van artikel 7, eerste lid, van het Inkomensbesluit Ioaw gemaakte, duidelijk omschreven uitzondering - slechts - ziet op een eenmalige uitkering die aan de werknemer wordt betaald, en derhalve niet op een bedrag dat - in het kader van de beŽindiging van de dienstbetrekking - door de werkgever rechtstreeks wordt betaald aan de verzekeraar bij welke de lijfrenteverzekering wordt afgesloten. Het ligt overigens ook niet voor de hand om aan te nemen dat de besluitgever voor ogen heeft gestaan om de categorie periodieke uitkeringen uit hoofde van een stamrecht die in de toelichting bij artikel 7, eerste lid, onder g, van het Inkomensbesluit Ioaw uitdrukkelijk (en als enig) voorbeeld van loon uit vroegere dienstbetrekking wordt genoemd, vervolgens in artikel 7, tweede lid, van het Inkomensbesluit Ioaw (weer) buiten de werkingssfeer van artikel 7, eerste lid, van het Inkomensbesluit Ioaw te brengen.

Voorzover appellant, mede met een beroep op de uitspraak van de rechtbank
ís-Hertogenbosch van 18 februari 2002 (LJN AE2504), heeft willen betogen dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van het Inkomensbesluit Ioaw moet worden afgeleid dat de besluitgever een ruimere uitzondering heeft willen maken dan in de tekst van artikel 7, tweede lid, onder b, van het Inkomensbesluit Ioaw tot uitdrukking is gebracht, kan de Raad hem daarin op grond van de volgende overwegingen niet volgen.

In een brief van 22 oktober 1986 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Tweede Kamer, vergaderjaar 1986-1987, 17 475, nr. 12) naar aanleiding van een mondeling overleg over het concept-Inkomensbesluit Ioaw en het - gelijkluidende - concept-Inkomensbesluit Toeslagenwet heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onder meer het volgende opgenomen:

ďTijdens het mondeling overleg hebben de heren Weijers en Linschoten gevraagd de mogelijkheden te bezien van het op andere wijze in de inkomenstoets betrekken van bovenwettelijke uitkeringen. Na bestudering van de door deze leden gedane suggesties is het kabinet tot de conclusie gekomen dat het niet raadzaam is wijziging te brengen in de op dit punt in het concept-Inkomensbesluit neergelegde voornemens. Wel is het naar de mening van het kabinet mogelijk om - zonder aantasting van de essentie van de TW en de Ioaw als minimumbeschermingsregeling - een uitkering ineens die bij de beŽindiging van de dienstbetrekking ter vrije besteding van de werknemer komt, niet als inkomen aan te merken.

(...)

Het kabinet heeft zich beraden of nog op een andere wijze kan worden tegemoet gekomen aan de (...) wens om aanvullingen op loondervingsuitkeringen niet in aanmerking te nemen bij de beoordeling van het recht op toeslag en Ioaw-uitkering. In het kader van afvloeiingsregelingen kunnen uitkeringen ineens worden verstrekt, welke ter vrije besteding van de werknemers komen. Op grond van het inkomensbesluit, zoals dat (...) in concept aan het parlement is gezonden, worden dergelijke uitkeringen niet in aanmerking genomen, indien deze worden verstrekt vůůr de dienstbetrekking is geŽindigd. Eenmalige uitkeringen na beŽindiging van de dienstbetrekking worden wel in aanmerking genomen. Het kabinet is bereid om laatstbedoelde uitkeringen eveneens buiten beschouwing te laten.

(...)

Indien het gaat om definiŽring van het inkomen in het inkomensbesluit moet er een grens worden aangegeven. In een aantal gevallen is deze grens niet eenvoudig vast te stellen. Te denken valt hierbij aan het verschil in benadering dat mogelijk is ten aanzien van particuliere verzekeringsuitkeringen. Het kabinet is van oordeel dat in het overeenkomstig het voorgaande gewijzigde Inkomenbesluit de grens zodanig getrokken wordt dat de essentie van de TW en de Ioaw, te weten het verschaffen van een inkomensgarantie tot het minimumloon per tijdsperiode, in stand blijft. Een verdergaande verruiming door ook periodieke aanvullingen op loondervingsuitkeringen niet als inkomen aan te merken, zou deze essentie niet langer intact laten.Ē

Uit de hiervoor weergegeven passages blijkt niet meer, dan dat de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft beoogd niet alleen een vůůr de beŽindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer betaalde eenmalige uitkering buiten het inkomensbegrip van de Ioaw en het Inkomensbesluit Ioaw (en de Toeslagenwet en het Inkomensbesluit Toeslagenwet) te houden, maar ook een na de beŽindiging van het dienstverband aan de werknemer betaalde eenmalige uitkering. Daarmee wordt voor beide gevallen bereikt dat de uitkering en ook de eventuele opbrengsten daaruit in het vermogen van de werknemer vloeien, zodat geen sprake is van inkomen in verband met arbeid. Mede gelet op de uitdrukkelijke verwijzing in dit verband door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar de ratio van de Ioaw (en de Toeslagenwet), is voor een verder strekkende uitleg geen plaats.

Naar aanleiding van het beroep van appellant op de hiervoor bedoelde brieven van 7 december 1988 en 30 december 1997 merkt de Raad allereerst op dat de brief van 7 december 1988 zich niet bij de gedingstukken bevindt. Daarbij bevindt zich wel een gedeelte uit de Handreiking Wetstechnische oplossingen van Divosa van 15 februari 2000, waarin het volgende is opgenomen:

ďIn art. 7, tweede lid, onderdeel b, Inkomensbesluit Ioaw is bepaald, dat niet als inkomen in verband met arbeid wordt beschouwd: een eenmalige uitkering welke na beŽindiging van het dienstverband aan een werknemer in verband met die beŽindiging wordt betaald. Het kan daarbij gaan om een bedrag aan schadeloosstelling of een voor dat bedrag te kopen periodieke uitkering. Deze uitleg wordt door het Ministerie van ZSW bevestigd in de brief van 7 december 1988 aan Divosa.

Hieruit kan worden gedestilleerd, wanneer een afkoopsom in de vorm van een tot uitbetaling komende lijfrente niet is aan te merken als inkomen in de zin van de Ioaw. Hiervoor moet aan de volgende drie voorwaarden zijn voldaan:
- De voor de aankoop van de lijfrente bestemde gelden werden voorafgaand aan zowel de WW-periode als de Ioaw-periode verstrekt.
- De lijfrenteregeling vloeit niet voort uit een arbeidsovereenkomst of CAO.
- De aankoop van een lijfrente geschiedt geheel vrijwillig. Ofwel: het is de werknemer ook toegestaan de afkoopsom niet aan te wenden voor de aankoop van een lijfrente en naar eigen inzicht te besteden.Ē

In de brief van 30 december 1997, die zich wel bij de gedingstukken bevindt, is het volgende vermeld:

ďWanneer een werknemer een uitkering ineens ontvangt in verband met de beŽindiging van de dienstbetrekking en hij deze uitkering geheel naar vrij keuze kan besteden, wordt deze uitkering tot het vermogen gerekend. (...) wanneer de vrij besteedbare uitkering gebruikt wordt voor het kopen van een stamrecht of lijfrentepolis om daaruit een periodieke uitkering te bedingen, blijft die uitkering ook buiten beschouwing bij de inkomenstoets van de Ioaw. Deze uitkering is immers het resultaat van een eigen keuze tot besteding van buiten beschouwing gelaten vermogen.

(...)

Voor de ex-werknemer is het belangrijk dat deze bij een beroep op de Ioaw aan de gemeente kan aantonen wat de oorsprong van de periodieke uitkering is, bijvoorbeeld aan de hand van een verklaring van de voormalige werkgever.Ē
Mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen kan de Raad, daargelaten hoe het in de brieven van 7 december 1998 en 30 december 1997 verwoorde standpunt precies moet worden geduid en eveneens daargelaten of deze ambtelijke brieven (ook) het standpunt van de verantwoordelijke bewindspersoon zelf weergeven, aan die brieven niet de door appellant gewenste betekenis toekennen. Het gaat hier immers om een na de totstandkoming van het Inkomensbeluit Ioaw (en het Inkomensbesluit Toeslagenwet) gegeven interpretatie van het in begrip: een eenmalige uitkering welke na beŽindiging van de dienstbetrekking aan een werknemer in verband met die beŽindiging wordt betaald. Gelet op de duidelijke tekst van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder g, en tweede lid, aanhef en onder b, van het Inkomensbesluit Ioaw (en het Inkomensbesluit Toeslagenwet) en op bedoeling van de besluitgever zoals naar voren komend uit de totstandkomingsgeschiedenis, kan de door appellant voorgestane interpretatie achteraf daarin geen verandering brengen. Indien de besluitgever (of eventueel de wetgever) een verruiming als door appellant voorgestaan wenselijk zou achten, vergt de verwezenlijking daarvan wijziging van de desbetreffende algemeen verbindende voorschriften.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het bedrag waarvoor het ten behoeve van appellant gevestigde stamrecht is aangekocht, niet kan worden aangemerkt als een eenmalige uitkering in de zin van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van het Inkomensbesluit Ioaw. Daarmee is gegeven dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de uitkeringen uit hoofde van het stamrecht moeten worden aangemerkt als inkomen in verband met arbeid, zodat aan appellant terecht geen uitkering ingevolge de Ioaw is toegekend. Of al dan niet sprake is geweest van een vrije keuze van appellant als hiervoor bedoeld, is derhalve niet van belang.

Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van de gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. M.I. ít Hooft en mr. W.I. Degeling als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 april 2005.
          
(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Ioaw | Ioaw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x