Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Ioaw
x
LJN:
x
AU1040
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning Ioaw-uitkering. Ingangsdatum.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5664 NIOAW en 05/2517 NIOAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaltbommel, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 oktober 2003, reg.nr. 02/1632 IOAW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 28 juni 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door H. Huiberts te Zaltbommel, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door T. Hensen, werkzaam bij de gemeente Zaltbommel.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant heeft op 13 november 2001 bij gedaagde een aanvraag ingediend om hem met ingang van 5 september 1995 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) toe te kennen.

Bij besluit van 8 mei (lees: januari) 2002 heeft gedaagde aan appellant een Ioaw-uitkering toegekend met ingang van 13 november 2001.

Naar aanleiding van het tegen het besluit van 8 januari 2002 gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 2 juli 2002 de ingangsdatum van de uitkering nader bepaald op 20 juni 2000. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat het appellant op medische gronden niet is aan te rekenen dat hij tijdens een intakegesprek van 20 juni 2000 geen aanvraag heeft ingediend.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 2 juli 2002 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van die uitspraak. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat in het onderhavige geval bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die toekenning van de Ioaw-uitkering met terugwerkende kracht rechtvaardigen tot een datum gelegen vˇˇr 20 juni 2000. De rechtbank acht een ingangsdatum gelegen kort na 10 december 1998 redelijk.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft primair aangevoerd dat hij in het najaar van 1995 een - mondelinge - aanvraag om Ioaw-uitkering per 5 september 1995 heeft ingediend, zodat hem met ingang van die datum een Ioaw-uitkering toekomt. Subsidiair vordert hij toekenning met ingang van 20 oktober 1998, aangezien op grond van de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gehanteerde overwegingen hem reeds vanaf die datum een Ioaw-uitkering toekomt. Voorts heeft appellant verzocht gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de door hem sedert 1995 geleden schade.

Gedaagde heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 18 december 2003 een nieuw besluit genomen op het bezwaar van appellant en de ingangsdatum van de Ioaw-uitkering nader bepaald op 11 december 1998.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt allereerst vast dat het besluit van 18 december 2003 niet geheel aan de bezwaren van appellant tegemoetkomt, zodat de Raad - overeenkomstig artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb - het besluit van 18 december 2003 in die zin bij zijn beoordeling dient te betrekken, dat het beroep van appellant geacht wordt mede te zijn gericht tegen dit besluit.

Ingevolge artikel 15 van de Ioaw stellen burgemeester en wethouders het recht op uitkering op schriftelijke aanvraag vast. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van deze bepaling wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaande aan de datum waarop de aanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
Naar het oordeel van de Raad is niet komen vast te staan dat appellant al in het najaar van 1995 bij gedaagde een aanvraag om uitkering heeft ingediend of op ondubbelzinnige wijze aan gedaagde kenbaar heeft gemaakt dat hij een uitkering op grond van de Ioaw wenste aan te vragen.

Voorts ziet de Raad in al hetgeen namens appellant naar voren is gebracht geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat met ingang van een datum voorafgaande aan 11 december 1998 een Ioaw-uitkering wordt toegekend. De Raad stelt op basis van de stukken vast dat appellant op 20 oktober 1998 bij gedaagde heeft ge´nformeerd naar de mogelijkheden voor een (aanvullende) Ioaw-uitkering. Vervolgens heeft gedaagde bij brief van 21 oktober 1998 appellant bericht dat het in zijn geval niet mogelijk is een uitkering aan te vragen. Bij brief van 10 december 1998 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat die informatie niet correct is geweest, en dat hij aanspraak kan maken op en Ioaw-uitkering indien voldaan is aan de genoemde voorwaarden. Gedaagde heeft er daarbij op gewezen dat appellant alsnog een aanvraag kan indienen. Blijkens de stukken heeft appellant zich eerst op 20 juni 2000 weer bij gedaagde vervoegd.

De Raad concludeert dat ook in het tijdvak vanaf 20 oktober 1998 er geen sprake van is geweest dat appellant activiteiten heeft ondernomen in de richting van gedaagde die tot het innemen van een aanvraag hadden moeten leiden. De Raad ziet voorts in de beschikbare gegevens onvoldoende grondslag voor het oordeel dat appellant om medische redenen niet in staat was zijn belangen in dit opzicht adequaat te behartigen. Tegen deze achtergrond stelt de Raad vervolgens vast dat appellant met het nadere besluit van 18 december 2003 niet te kort is gedaan.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd en dat het beroep tegen het besluit van 18 december 2003 ongegrond dient worden verklaard.

Ter zake van de gevorderde schadevergoeding overweegt de Raad als volgt.

Tussen partijen staat de onrechtmatigheid van de besluiten van 8 januari 2002 en 2 juli 2002 vast, zodat gedaagde gehouden is tot vergoeding van de schade die appellant als gevolg daarvan heeft geleden. Verder staat vast dat hier sprake is van vertraging in de voldoening van een geldsom, te weten de voldoening van de Ioaw-uitkering over de periode van 11 december 1998 tot 13 november 2001. Artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de schadevergoeding dienaangaande bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest. De Raad heeft er herhaaldelijk op gewezen dat een en ander meebrengt dat er in gevallen als hier aan de orde geen plaats is voor zelfstandige vergoeding van de uit de vertraagde uitbetaling van de Ioaw-uitkering beweerdelijk voortgevloeide overige schade.

Gelet op artikel 16 van de Ioaw had gedaagde binnen acht weken moeten beslissen op de op 13 november 2001 ontvangen aanvraag. Die termijn eindigt derhalve op 8 januari 2002. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 1 februari 2002, zijnde de eerste dag na de maand in welke op die aanvraag had moeten zijn beslist. Voor de wijze van berekening van de wettelijke rente verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 29 juli 1997, gepubliceerd in RSV 1997/273. De aldus te berekenen rente zal alsnog moeten worden betaald tot aan de dag der algehele voldoening.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep nu de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd en appellant eerst in hoger beroep schadevergoeding heeft gevorderd.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 18 december 2003 ongegrond;
Bepaalt dat aan appellant een vergoeding van wettelijke rente wordt toegekend op de in rubriek II van deze uitspraak aangegeven wijze;

Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. H.J. de Mooij en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van L. J÷rg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2005.

(get.) J.M.A. van der Kolk.

(get.) L. J÷rg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Ioaw | Ioaw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x