Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   TW
x
LJN:
x
AP4603
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-05-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-verschoonbare niet-tijdige betaling van het griffierecht.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/5733 TW




U I T S P R A A K




met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. INLEIDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht (reg. nr. AWB 02/1646 TW SEE) op 10 oktober 2003 tussen partijen gegeven uitspraak.




II. MOTIVERING


In artikel 22 van de Beroepswet is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven.

Bij schrijven van 2 december 2003 is appellant erop gewezen dat hij een griffierecht van 87,- is verschuldigd, bij voorkeur te voldoen door middel van de aangehechte acceptgirokaart.

Bij aangetekende brief van 23 december 2003 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is hem meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.

De Raad stelt vast dat het griffierecht niet is betaald.

Nu op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest, acht de Raad het hoger beroep uit dien hoofde kennelijk niet-ontvankelijk.

De Raad overweegt voorts ten overvloede het volgende.

In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Deze bepaling is ingevolge artikel 6:24, eerste lid, van de Awb in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.

Het ingediende beroepschrift bevat echter geen gronden.

Bij schrijven van 2 december 2003 is appellant in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.

Bij aangetekend schrijven van 5 januari 2004 is aan appellant nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van twee weken gesteld en is erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep kan leiden.

Appellant heeft deze termijnen ongebruikt laten voorbijgaan.

Nu op grond van de beschikbare gegevens niet kan worden geoordeeld dat appellant met betrekking tot het indienen van de gronden van het beroep niet in verzuim is geweest, is het hoger beroep ook uit dien hoofde niet-ontvankelijk.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.




Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van dit afschrift schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. TW | TW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x