Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   TW
x
LJN:
x
AQ8876
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-08-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de ingangsdatum van de toeslag juist vastgesteld? Het UWV had in betrokkenes brieven aanleiding behoren te vinden tevens een verzoek om toeslag te lezen, deze als een aanvraag in behandeling te nemen en had aan betrokkenes gemachtigde een adequate reactie dienen te zenden.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/2568 TW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging.

Namens appellant heeft mr. E.M. van den Brom, advocaat te Amsterdam, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 maart 2002 (reg.nr. AWB 99/10141 TW), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Per fax van 22 juli 2004 heeft de gemachtigde van appellant nog een stuk in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 juli 2004, waar namens appellant is verschenen mr. Van den Brom, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Appellant, geboren in 1963, is in het verleden in Nederland werkzaam geweest als tomatenplukker via een uitzendbureau. Nadat hij arbeidsongeschikt was geworden, is hij teruggekeerd naar Marokko. In 1993 heeft hij bij gedaagde een aanvraag om arbeidsongeschiktheidsuitkering ingediend, omdat hij sinds april 1991 arbeidsongeschikt zou zijn. Bij besluit van 15 september 1995 heeft gedaagde geweigerd aan appellant uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. De rechtbank Amsterdam heeft dit besluit bij uitspraak van 11 november 1996 vernietigd. Bij besluit van 17 februari 1997 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 7 mei 1992 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op dat moment was gedaagde nog niet in staat het juiste WAO-dagloon van appellant vast te stellen. Op 28 november 1997 heeft gedaagde een besluit betreffende het dagloon aan appellant toegezonden. Bij brief van 17 december 1997 heeft de gemachtigde van appellant bezwaar gemaakt tegen dit dagloonbesluit. Daarbij heeft ze tevens gevraagd, of appellant een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) ontving. Bij schrijven van 8 januari 1998 heeft mr. Van den Brom nogmaals bij gedaagde geïnformeerd, of appellant al een toeslag toegekend had gekregen. Op 31 juli 1998 heeft gedaagde een nieuw besluit omtrent het dagloon aan appellant toegezonden. Bij brief van 10 augustus 1998 heeft mr. Van den Brom gedaagde - onder meer - verzocht haar te bevestigen dat ook een aanvraag tot verlening van een toeslag in het kader van de TW wordt beoordeeld. Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde appellant op 7 oktober 1998 een aanvraagformulier Toeslagenwet toegezonden, hetwelk door appellant ingevuld is geretourneerd op 16 oktober 1998.

Bij besluit van 19 april 1999 heeft gedaagde ingaande 1 juli 1997 aan appellant een toeslag ingevolge de TW toegekend. Door zowel de echtgenote als de gemachtigde van appellant is op respectievelijk 30 april 1999 en 12 mei 1999 bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de toegekende toeslag. Bij besluit op bezwaar van 14 september 1999 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren tegen het besluit van 19 april 1999 ongegrond verklaard, op de grond dat in artikel 11, eerste lid, van de TW is bepaald dat op aanvraag wordt vastgesteld of recht op toeslag bestaat. Gedaagde heeft voorts geen bijzonder geval, als bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de TW aanwezig geacht, op grond waarvan het mogelijk zou zijn de toeslag toe te kennen over perioden gelegen voor één jaar voorafgaande aan de dag waarop de aanvraag om toeslag is ingediend. Daarbij heeft gedaagde de brief van appellants gemachtigde van 10 augustus 1998 aangemerkt als aanvraag.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten, overwegende dat niet gebleken is dat de door appellant destijds ingediende aanvraag om toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering tevens moet worden aangemerkt als een aanvraag om een toeslag in het kader van de TW en dat namens appellant eerst bij brief van 10 augustus 1998 expliciet is verzocht om appellant in aanmerking te brengen voor een toeslag. De rechtbank is voorts tot het oordeel gekomen dat gedaagde terecht geen bijzonder geval, als bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de TW aanwezig heeft geacht.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat appellant ten tijde van zijn aanvraag om een WAO-uitkering, gelet op de onzekerheid omtrent de hoogte van die uitkering, niet kon overzien of hij tevens recht kon doen gelden op een toeslag ingevolge de TW. Daarbij is erop gewezen dat gedaagde het WAO-dagloon van appellant tot driemaal toe heeft gecorrigeerd. Bij de besluitvorming door gedaagde is vertraging opgetreden. Eerst nadat het WAO-dagloon definitief was vastgesteld, was appellant duidelijk dat hij door toekenning van de WAO-uitkering onder het bestaansminimum kwam te verkeren en een toeslag krachtens de TW geïndiceerd was. Ten slotte heeft appellant betoogd dat hij reeds in een brief van 17 december 1997 de vraag heeft opgeworpen of hij wel een toeslag had. Gedaagde had redelijkerwijs moeten begrijpen dat appellant, bij negatieve beantwoording van die vraag, meende voor een toeslag in aanmerking te komen.

De Raad overweegt als volgt.

Gelet op de gedingstukken en hetgeen door partijen naar voren is gebracht, gaat de Raad er vanuit dat appellant bij zijn aanvraag om arbeidsongeschiktheidsuitkering in 1993 niet tevens een aanvraag om toeslag ingevolge de TW heeft ingediend, alsmede dat hem door gedaagde destijds informatie is verstrekt over zijn eventuele recht op toeslag, zodat hij redelijkerwijs destijds reeds een aanvraag had kunnen indienen.

De Raad is echter van oordeel dat, gezien de voorgeschiedenis en de omstandigheden van het onderhavige geval, gedaagde in de brieven van 17 december 1997 en 8 januari 1998 van de gemachtigde van appellant - waarop van de zijde van gedaagde, voor wat betreft de aanspraak op toeslag, in het geheel niet gereageerd is - aanleiding had behoren te vinden tevens een verzoek om toeslag ingevolge de TW te lezen, deze als een aanvraag in behandeling te nemen en aan gemachtigde van appellant een adequate reactie had dienen te zenden.
Het bestreden besluit is derhalve niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen en dient, evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, wegens strijd met artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd. Gedaagde zal met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, tezamen € 1.288,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant ad € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht ad € 129,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2004.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. TW | TW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x