Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   TW
x
LJN:
x
AR5220
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking van de toeslag omdat betrokkene over de betreffende maand een eindejaarsuitkering van het UWV heeft ontvangen, welke van invloed is op de aanspraak op toeslag. Terechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens het niet tijdig indienen van de gronden waarop het bezwaar berust.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/695 TW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid.

Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2001, nr. AWB 01/2188 TW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij brief van 15 maart 2002 heeft appellant een vraag van de Raad beantwoord.

Nadat bij uitspraak van 10 juli 2002 het hoger beroep niet-ontvankelijk was verklaard, wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht, is bij uitspraak van 6 september 2002 het tegen die uitspraak ingestelde verzet gegrond verklaard.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 8 oktober 2004, waar partijen met kennisgeving niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 8 december 2000 heeft gedaagde de aan appellant toegekende toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) over de maand december 2000 ingetrokken, omdat appellant in die maand een eindejaarsuitkering van gedaagde ontving, welke van invloed was op zijn aanspraak op de toeslag.

Appellant heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Gedaagde heeft de bezwaren van appellant bij beslissing op bezwaar van 11 mei 2001 (hierna: het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant binnen de daartoe door gedaagde gestelde termijn geen gronden als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had ingediend. De rechtbank heeft geconcludeerd dat gedaagde bevoegd was appellant niet-ontvankelijk te verklaren in zijn bezwaren en in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

In hoger beroep heeft appellant aanvankelijk aangevoerd dat hij het niet eens is met de verlaging van zijn toeslag ingevolge de TW in drie jaarlijkse stappen vanaf 1 januari 2001, leidend tot beŽindiging van de toeslag per 1 januari 2003. Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft appellant aangegeven dat het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak. Gedaagde heeft vervolgens medegedeeld dat het besluit met betrekking tot de afbouw van de toeslag vanaf 1 januari 2001 inmiddels is ingetrokken.

De Raad ziet zich in deze procedure gesteld voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant terecht ongegrond heeft verklaard tegen het bestreden besluit, waarbij de bezwaren van appellant niet-ontvankelijk zijn verklaard, omdat appellant geen gronden tegen het primaire besluit van 8 december 2000 heeft aangevoerd. Door appellant zijn zowel in beroep als in hoger beroep geen gronden aangevoerd tegen dit oordeel van gedaagde. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde op de in het bestreden besluit aangegeven gronden bevoegd was appellant niet-ontvankelijk verklaren en dat gedaagde in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Daarbij acht de Raad mede van belang dat gedaagde appellant bij brief van 19 januari 2001 heeft gewezen op zijn verzuim en hem de gelegenheid heeft geboden dit verzuim te herstellen.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2004.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. TW | TW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x