Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   TW / WW
x
LJN:
x
AR6837
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-11-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de WW- en TW-uitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Het niet adequaat reageren is geen grond voor het aannemen van een dringende reden. De rechtbank meent ten onrechte dat de dringende reden ook ziet op de oorzaak van de herziening c.q. terugvordering van de uitkeringen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/4331 TW en 02/4333 TW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar op 11 juli 2002 gewezen uitspraak, reg.nr. 00/1410 en 01/623, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Mr. W.A. Swildens, advocaat te Utrecht, heeft namens gedaagde een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad van 6 oktober 2004, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.J. van Ogtrop, werkzaam bij het Uwv en waar gedaagde in persoon is verschenen, met bijstand van mr. Swildens, voornoemd. Op verzoek van mr. Swildens is ter zitting verschenen en als getuige gehoord D. de Mooij, wonende te Haarlem.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat de in deze gedingen aan de orde zijnde geschillen worden beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de Toeslagenwet (TW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Aan gedaagde is over de periode van 1 mei 1995 tot en met 31 januari 1998 een uitkering ingevolge de WW toegekend en in aanvulling hierop ontving hij over de periode van 27 november 1995 tot en met 3 januari 1997 een uitkering ingevolge de Toeslagenwet (TW).

Naar aanleiding van een bij appellant in november 1997 ingekomen anonieme melding met betrekking tot werkzaamheden die gedaagde al gedurende een lange periode bij de Zaanse schroothandel zou verrichten, is vervolgens door de Opsporingsdienst GAK Nederland bv, regio Noord-West, in 1999 een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan gedaagde verstrekte uitkeringen.

Op basis van de bevindingen van voormeld onderzoek heeft appellant gedaagde bij besluit van 20 augustus 1999 meegedeeld dat hij in de periode van 30 september 1996 tot en met 18 januari 1998 niet langer werkloos is te achten in de zin van de WW, omdat hij werkzaamheden heeft verricht. Voorts heeft hij appellant van die werkzaamheden niet c.q. niet tijdig op de hoogte gesteld. Het recht op uitkering ingevolge de WW en de TW wordt over voormelde periode geheel beëindigd. Eveneens bij besluit van 20 augustus 1999 heeft appellant de als gevolg daarvan aan gedaagde onverschuldigd betaalde uitkeringen, ten bedrage van in totaal € 14.177,77 (f. 31.243,69) teruggevorderd. Bij besluit op bezwaar van 8 augustus 2000, het bestreden besluit, heeft appellant de bezwaren tegen de beide besluiten ongegrond verklaard.

Bij besluit van 14 april 2000 heeft appellant vanwege de schending van de mededelingsplicht gedaagde een boete opgelegd van f 1.800,--. Na bezwaar hiertegen is die boete bij besluit van 16 februari 2001 gehandhaafd.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de tegen de besluiten van respectievelijk 8 augustus 2000 en 16 februari 2001 ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd onder toewijzing van proceskosten en griffierecht, en bepaald dat appellant een nader besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft vastgesteld dat het, gelet op de getuigenverklaringen en op hetgeen gedaagde tijdens de hoorzitting heeft verklaard, voldoende aannemelijk is dat gedaagde tijdens de in geding zijnde periode meer uren heeft gewerkt dan de 16 uur die hij op zijn werkbriefjes heeft ingevuld. De rechtbank is van oordeel dat nu gedaagde heeft verzuimd precieze gegevens omtrent de omvang en de duur van zijn werkzaamheden te verstrekken, appellant schattenderwijs mocht overgaan tot vaststelling daarvan; de rechtbank houdt het met appellant niet voor onjuist dat gedaagde in de periode van 30 september 1996 tot en met 18 januari 1998 fulltime heeft gewerkt.
De rechtbank is echter ook van oordeel dat appellant ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 22a, tweede lid, van de WW en artikel 11a, tweede lid, van de TW, waarin is bepaald dat bij de aanwezigheid van een dringende reden kan worden besloten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking van de uitkering af te zien. De rechtbank doelt daarbij op de toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechtbank stelt zich op het standpunt dat appellant niet voldoende voortvarend heeft gereageerd op signalen die appellant in 1996 en 1997 reeds heeft ontvangen en die eerst in 1999 tot een onderzoek hebben geleid. Daarbij overweegt de rechtbank dat als appellant wel met voortvarendheid zou hebben gehandeld niet over zo’n lange periode herzien had behoeven te worden, terwijl bovendien niet kan worden ontkend dat gedaagde door deze vertraging belemmerd is in de mogelijkheden zich te verweren. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat appellant ten onrechte niet heeft bezien of het niet adequaat reageren aanleiding had moeten vormen om gedeeltelijk van de herziening van de uitkering ingevolge de WW en de TW af te zien. Het besluit van 8 augustus 2000 ontbeert in zoverre een deugdelijke motivering op grond waarvan de grondslag aan de terugvordering komt te ontvallen, hetgeen betekent dat het besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Het boetebesluit van 16 februari 2001 kan evenmin in stand blijven, aldus de rechtbank.

In hoger beroep heeft appellant betoogd dat in het gestelde niet adequaat reageren geen reden is gelegen voor het aannemen van een dringende reden. Dringende redenen kunnen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een herziening of intrekking, de oplegging van een maatregel of van een boete of een terugvordering voor een verzekerde heeft. Tot die gevolgen behoort niet de omstandigheid dat niet adequaat zou zijn gereageerd op de bedoelde signalen.

Gedaagde heeft gesteld dat appellant de omvang van de gewerkte uren onjuist heeft vastgesteld. Voor het overige stelt gedaagde zich achter de overwegingen van de rechtbank.

De Raad overweegt als volgt.

Met betrekking tot gedaagdes stelling dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van appellant heeft onderschreven over de omvang van de gewerkte en niet opgegeven uren overweegt de Raad dat ook hij dat standpunt onderschrijft op de gronden die de rechtbank in de aangevallen uitspraak daartoe heeft gebezigd.

Gedaagde heeft met betrekking tot de terugvordering ter zitting nog een beroep gedaan op het besluit van het bestuur van het Tica van 19 februari 1997 (Stcrt. 1997/59) “Beleid inzake herziening en intrekking van uitkering” ten betoge dat appellant ten onrechte het gehele bedrag aan onverschuldigd betaalde uitkeringen heeft teruggevorderd. Dit besluit ziet echter op artikel 22a van de WW en niet op het thans van belang zijnde artikel 36 van de WW.

De Raad is met appellant van oordeel dat de rechtbank ten onrechte meent dat de dringende reden ook ziet op de oorzaak van de herziening c.q. terugvordering. Naar de Raad al eerder heeft doen blijken kunnen redenen om van herziening c.q. terugvordering af te zien slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen van die herziening en terugvordering voor de betrokkene. Niet is gebleken dat een dergelijke onaanvaardbaarheid hier aan de orde is. Ook overigens is de Raad van oordeel dat de hier aan de orde zijnde besluiten tot herziening en terugvordering niet in strijd zijn met enige regel van geschreven of ongeschreven recht of enig algemeen rechtsbeginsel. Het enkele feit dat het fraudeonderzoek wellicht eerder voltooid had kunnen worden brengt dit niet mee.

Het eerder overwogene heeft tevens tot gevolg dat geoordeeld moet worden dat de rechtbank het bestreden besluit met betrekking tot de boete ten onrechte heeft vernietigd.

De Raad komt op grond van het hiervoor overwogene tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit ten dele is vernietigd, komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 november 2004.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. TW | TW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x