Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   TW
x
LJN:
x
AZ4252
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-12-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking van de toeslag op de grond dat betrokkenes partner niet feitelijk bij betrokkene woont, zodat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding en het totale inkomen van betrokkene meer bedraagt dan het relevante sociale minimum. Was er op de datum in geding geen sprake meer van een gezamenlijke huishouding tussen betrokkene en haar partner?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 06/794 TW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 januari 2006, 05/520 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 december 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. H. Brouwer, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2006. Appellante noch haar gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Florijn.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving als ongehuwd samenwonende sedert 1 april 2001 een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) op haar arbeidsongeschiktheidsuitkering.
In augustus 2004 heeft appellante telefonisch bij het Uwv geÔnformeerd of zij nog recht had op toeslag omdat haar partner [partner] (hierna: [partner]) niet meer bij haar woonachtig was, maar was opgenomen in verband met een psychische ziekte. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv de toeslag feitelijk beŽindigd met ingang van 1 september 2004. Vervolgens heeft appellante bij brief van 13 september 2004 aan het Uwv haar situatie nogmaals uitgelegd en gevraagd of zij nog recht heeft op een toeslag. Daarop heeft het Uwv bij besluit van 24 september 2004 de toeslag geweigerd.

Bij besluit van 1 februari 2005 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 24 september 2004 ongegrond verklaard op de grond dat [partner] niet feitelijk woont bij appellante zodat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding en het totale inkomen van appellante meer bedraagt dan het relevante sociale minimum.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 februari 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In de omstandigheid dat de toeslag feitelijk per 1 september 2004 is beŽindigd zonder dat ter zake een besluit is afgegeven, ziet de Raad aanleiding om het besluit van 24 september 2004 te duiden als een besluit tot intrekking van de toeslag per 1 september 2004.

In geschil is of op 1 september 2004 geen sprake meer was van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en [partner].

Ingevolge artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van de TW wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het vierde lid van dat artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Niet is betwist dat in ieder geval op de datum in geding aan het verblijf van [partner] in de woning van appellante feitelijk een einde was gekomen. Appellante heeft in haar contacten met het Uwv aangegeven dat [partner] psychisch ziek is, in bewaring zit en zal worden opgenomen in een kliniek, hetgeen duidt op gedwongen opname(s) in het kader van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. Uit deze door appellante zelf verstrekte informatie heeft het Uwv redelijkerwijs kunnen afleiden dat [partner] niet voor een kortstondige, maar voor langere periode elders verblijf zou houden. Derhalve heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat [partner] geen hoofdverblijf meer had in de woning van appellante. Hieruit volgt dat vanaf 1 september 2004 niet langer sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en [partner].
De Raad merkt in dit verband op dat appellante de rechtbank tijdens de op 5 september 2005 gehouden zitting heeft meegedeeld dat [partner] nog steeds was opgenomen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en C. van Viegen en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 december 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.C. Palmboom.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH Ďs-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. TW | TW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x