Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   TW
x
LJN:
x
AZ7676
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-02-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De afbouw van de toeslag in drie jaar is in strijd met artikel 5, eerste lid, van het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko. Ingangsdatum van de toeslag gelet op de maximale terugwerkende kracht van één jaar. Weigering om terug te komen van een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden besluit omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/6964 TW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 november 2004, 04/2658 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (Marokko) (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 2 februari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten.




II. OVERWEGINGEN


Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding appellant in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

In 2000 heeft appellant aan betrokkene een besluit toegezonden waarin werd medegedeeld dat de toeslag die betrokkene ingevolge de Toeslagenwet (TW) ontving, vanaf 1 januari 2000 in een periode van drie jaar zou worden afgebouwd. Over het jaar 2000 ontving betrokkene nog de volledige toeslag, over het jaar 2001 twee derden van deze toeslag, over het jaar 2002 een derde van deze toeslag en ingaande 1 januari 2003 zou de toeslag geheel worden beëindigd. Het door appellant genomen besluit was gebaseerd op artikel 4a van de TW in samenhang met artikel XI van de Wet beperking export uitkeringen.

Betrokkene is destijds niet in rechte opgekomen tegen de afbouw van de toeslag.

Een aantal van de in Marokko wonende Marokkaanse gerechtigden op een toeslag ingevolge de TW is destijds wel opgekomen tegen de afbouw van hun toeslag. De Raad heeft bij uitspraak van 12 september 2003, USZ 2003/303, geoordeeld dat deze afbouw in strijd is met artikel 5, eerste lid, van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trb. 1972, 34, hierna: het NMV).

Na deze uitspraak heeft betrokkene een nieuwe aanvraag om een toeslag ingevolge de TW ingediend. Vervolgens heeft appellant bij besluit van 16 april 2004 aan betrokkene meegedeeld dat de betaling van de toeslag vanaf 12 september 2003 wordt voortgezet. Bij het bestreden besluit van 19 mei 2004 heeft appellant zijn standpunt na bezwaar gehandhaafd.

De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen om met inachtneming van het in de uitspraak overwogene een nieuw besluit te nemen. Tevens zijn bepalingen omtrent de vergoeding van griffierecht en proceskosten gegeven.

De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 30 juni 2006, LJN AY0194, in een aantal soortgelijke zaken. In die uitspraak heeft de Raad in de eerste plaats overwogen dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen de periode vóór en na 1 januari 2003. Het recht van betrokkene op toeslag is ingaande 1 januari 2003 beëindigd. Zoals de Raad reeds heeft overwogen in zijn uitspraak van 3 maart 2006, LJN AV8305, is een na die beëindiging van het recht ingediende nieuwe aanvraag om een toeslag geen herhaalde aanvraag als bedoeld in of analoog aan artikel 4:6 van de Awb voorzover deze betrekking heeft op een periode gelegen na bedoelde beëindigingsdatum. Naar het oordeel van de Raad dient zo’n aanvraag te worden behandeld conform de regels gesteld in de TW en de regels en beginselen die anderszins de beslissing op een aanvraag beheersen. Dit brengt met zich mee dat de toeslag op grond van het bepaalde in artikel 11, zevende lid, van de TW in beginsel met een terugwerkende kracht van een jaar moet worden toegekend. In gevallen waarin de mogelijke terugwerkende kracht tot aan 1 januari 2003 minder dan één jaar bedraagt zal de uitkering in elk geval met volledig terugwerkende kracht tot 1 januari 2003 moeten worden toegekend.

Betrokkene heeft een aanvraag ingediend op 19 februari 2004. De toeslag dient betrokkene derhalve in elk geval met ingang van 19 februari 2003 te worden toegekend. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van een bijzonder geval dat zou kunnen leiden tot toekenning van de toeslag met verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar vóór de datum van de aanvraag. Hij acht hierbij van belang dat betrokkene het in 2000 genomen afbouwbesluit had kunnen aanvechten. Voorts is de Raad niet gebleken dat betrokkene niet in staat is geweest eerder dan de datum waarop een aanvraag is ingediend, een toeslag aan te vragen.

Wat betreft de periode vóór 1 januari 2003 dient de aanvraag van betrokkene te worden beschouwd als een verzoek van betrokkene aan het Uwv om terug te komen van het in 2000 genomen besluit tot afbouw van de toeslag. In zijn uitspraak van 30 juni 2006 is de Raad tot het oordeel gekomen dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren zijn gebracht en dat niet gezegd kan worden dat appellant heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel in redelijkheid niet tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. De Raad is daarbij ingegaan op de wijze waarop de rechterlijke toetsing in deze dient plaats te vinden en op de in de destijds voorliggende zaken gestelde strijd met het gelijkheidsbeginsel, met name in vergelijking met uitkeringsgerechtigden in Turkije en enkele andere landen en in vergelijking met Marokkaanse toeslaggerechtigden die bezwaar hebben gemaakt tegen het aan hen in 2000 uitgereikte besluit tot afbouw van de toeslag. De Raad ziet geen aanknopingspunten om in het onderhavige geval tot een ander oordeel te komen.

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit terecht heeft vernietigd omdat appellant daarbij de ingangsdatum van de aan betrokkene toegekende toeslag onjuist heeft vastgesteld. Appellant dient hieromtrent een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Ten aanzien van het verzoek van betrokkene om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht merkt de Raad op dat dit verzoek volgens vaste rechtspraak van de Raad dient te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aan betrokkene toekomende vergoeding bestaande uit wettelijke rente over de na te betalen toeslag dient te berekenen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314.

De Raad ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling, nu geen kosten zijn gevorderd en van voor ambtshalve vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade als hiervoor aangegeven.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2007.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) S. Sweep.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. TW | TW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x