Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   TW
x
LJN:
x
BA9414
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-07-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de toeslag op de grond dat uit onderzoek is gebleken dat betrokkene per datum in geding samenwoont met haar echtgenoot. De feiten en omstandigheden leiden tot de conclusie dat ten tijde hier van belang niet kan worden gesproken van duurzaam gescheiden leven.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/2321 TW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 maart 2005, 04/2712 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 11 juli 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. C. Steijgerwalt, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door P. Sumrutcu, werkzaam op het kantoor van mr. Steijgerwalt. Voorts was aanwezig de tolk S. Haroutioun.




II. OVERWEGINGEN


Appellant heeft bij besluit van 13 februari 2004 de eerder aan betrokkene toegekende toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) met ingang van 23 juni 2001 beëindigd omdat uit onderzoek zou zijn gebleken dat betrokkene per 23 juni 2001 samenwoont met haar echtgenoot. Bij besluit van 13 april 2004 heeft appellant de over de periode van 23 juni 2001 tot en met 29 februari 2004 teveel betaalde toeslag ad € 7.057,72 van betrokkene teruggevorderd. De bezwaren van betrokkene tegen deze beide besluiten heeft appellant bij besluit van 31 augustus 2004 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit berust op onvoldoende onderzoek naar de van belang zijnde feiten.

In hoger beroep heeft appellant gemotiveerd betwist dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden.

De Raad overweegt als volgt.

Vaststaat dat betrokkene en [K.] ten tijde in dit geding van belang gehuwd waren. Derhalve heeft de rechtbank, in navolging van appellant, door toetsing aan het criterium gezamenlijke huishouding een onjuiste wettelijke maatstaf aangelegd. Appellant had moeten beoordelen of betrokkene ten tijde hier van belang duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot en mitsdien als ongehuwde in de zin van artikel 1, derde lid, onder b, van de TW diende te worden aangemerkt. Nu de rechtbank het bestreden besluit heeft vernietigd, komt de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.

Vervolgens heeft de Raad beoordeeld of er aanleiding is de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenwoning betreft, waardoor ieder van hen afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

Vaststaat dat betrokkene en [K.] per 23 juni 2001 een door hen beiden ondertekend huurcontract hebben gesloten voor de woning [adres 1], dat een aanvraag voor energie bij Eneco is gedaan voor een gezinssamenstelling van vijf personen, te weten twee volwassenen en drie kinderen, dat [K.] niet over een andere vaste woon- en verblijfplaats beschikte, dat [K.] regelmatig in de woning verbleef en op de bank bleef slapen en dat [K.] gedurende een achttal maanden voor de schoonfamilie van zijn dochter heeft gedaan alsof hij nog steeds (echt) gehuwd was met betrokkene, in welke periode [K.] - evenals zijn dochter en schoonzoon - op het adres [adres 1] verbleef.

Deze feiten en omstandigheden leiden de Raad tot de conclusie dat ten tijde hier van belang niet kan worden gesproken van duurzaam gescheiden leven in voormelde zin. Dit betekent dat, nu blijkens de gedingstukken de inkomsten van betrokkene en [K.] gezamenlijk meer dan het wettelijk minimumloon bedroegen, betrokkene geen recht had op een toeslag.

Aangezien betrokkene gedurende de in geding zijnde periode aan gedaagde heeft gemeld dat [K.] niet meer bij haar woonde, heeft zij gehandeld in strijd met de ingevolge artikel 12 van de TW op haar rustende inlichtingenverplichting. Als gevolg daarvan is aan haar over de periode in geding ten onrechte een toeslag verleend. Appellant heeft de toeslag van betrokkene dan ook terecht ingetrokken op grond van artikel 11a, eerste lid, onder a, van de TW. Van dringende redenen als bedoeld in het tweede lid van voornoemd artikel op grond waarvan appellant bevoegd zou zijn geheel of gedeeltelijk van de intrekking af te zien, is de Raad niet gebleken.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 20, eerste lid, van de TW, zodat appellant gehouden was tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde toeslag over de periode van 23 juni 2001 tot en met 29 februari 2004 over te gaan. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is de Raad niet gebleken.

Gezien het vorenstaande ziet de Raad aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behalve voorzover daarbij is bepaald dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuwe beslissing op het bezwaar dient te nemen;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C. Bruning en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) M. Gunter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. TW | TW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x