Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / Wajong
x
LJN:
x
AF0880
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-10-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering om Wajong-uitkering toe te kennen met verdergaande terugwerkende kracht dan n jaar vr de aanvraag, op de grond dat betrokkene weliswaar niet in staat is geweest om zelf tijdig een aanvraag in te dienen, maar zijn ouders dat voor hem hadden kunnen doen. Is er sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 25, tweede lid, tweede volzin, van de AAW?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 00/6102 WAJONG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft J.A.J. Vervest op bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder dagtekening 20 november 2000 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 27 maart 2001 (met bijlage) van verweer gediend.

Appellant heeft hierop bij brief van 28 april 2001 (met bijlage) gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 september 2002, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde Vervest, voornoemd, en waar gedaagde, met kennisgeving, zich niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Op 7 juli 1997 is namens appellant een uitkering aangevraagd op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). De verzekeringsarts is bij onderzoek op 2 april 1998 tot de conclusie gekomen dat appellant op 17-jarige leeftijd reeds arbeidsongeschikt was en sindsdien is gebleven. Gelet op zijn medische toestand is volgens de verzekeringsarts appellant niet in staat geweest zelf tijdig een aanvraag in te dienen, maar zijn ouders hadden dat voor hem kunnen doen. Om die reden heeft gedaagde bij het op bezwaar genomen bestreden besluit van 28 december 1999 geen bijzonder geval aanwezig geacht als bedoeld in artikel 25, tweede lid, tweede volzin, van de AAW op grond waarvan gedaagde bevoegd is met terugwerkende kracht van meer dan een jaar, te rekenen vanaf de datum van aanvraag, uitkering toe te kennen.

De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten, van oordeel zijnde dat geen sprake is van een bijzonder geval als hiervoor bedoeld. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de ouders van appellant degenen waren die destijds geacht werden zijn belangen te behartigen en dat onvoldoende is gebleken dat zij daartoe - en dus ook tot het indienen van een AAW-aanvraag - buiten staat waren.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat zijn ouders geen wetenschap of kennis hadden van zijn aan drugs- en gokverslaving gerelateerde problemen, omdat hij deze voor hen verborgen hield en dat zijn ouders daarom niet namens hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben kunnen aanvragen.

Gedaagde heeft bij verweerschrift zich op het standpunt gesteld dat de ouders van appellant al vanaf zijn jeugd hebben geweten dat er iets aan de hand was met appellant. Voorts heeft gedaagde aangevoerd dat de gemachtigde van appellant door zijn jarenlange betrokkenheid met het gezin tot de directe omgeving van appellant is te rekenen. Juist waar een jonggehandicapte - zoals in casu appellant - zelf niet in staat is zijn belangen te behartigen, aldus gedaagde, had dat van de directe omgeving wel verwacht kunnen en mogen worden.

De Raad overweegt als volgt.

Van een bijzonder geval in de zin van artikel 25, tweede lid, van de AAW moet met name gesproken worden indien een verzekerde ter zake van een verlate aanvraag redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest. In zijn jurisprudentie met betrekking tot deze bepaling heeft de Raad voorts aangegeven dat bij de beoordeling of sprake is van een bijzonder geval in de zin van die bepaling, in situaties waarin de belangen van een - meerderjarige - belanghebbende bevoegdelijk door een derde worden behartigd, de omstandigheden van die derde in ogenschouw dienen te worden genomen.

De Raad overweegt dat de verzekeringsarts A.J. Kruiswijk op grond van een ernstig te nemen psychiatrische problematiek en drugsverslaving appellant vanaf zijn 17e verjaardag volledig arbeidsongeschikt heeft geacht en op grond hiervan heeft geconcludeerd dat appellant er ook geen verwijt van kan worden gemaakt dat hij niet tijdig een AAW-uitkering heeft aangevraagd.

Met betrekking tot de vraag of in dit geval sprake is van een situatie waarin de belangen van appellant bevoegdelijk door een derde worden behartigd, overweegt de Raad dat tijdens de minderjarigheid van appellant zijn ouders in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers zijn belangen behartigen.
In de gedingstukken ziet de Raad evenwel onvoldoende aanknopingspunten voor de veronderstelling dat in de periode na het bereiken van de meerderjarigheid door appellant en tot de datum van aanvraag van de AAW-uitkering, de ouders van appellant en/of zijn huidige gemachtigde tot zijn directe omgeving zijn te rekenen in die zin dat zij geacht moeten worden zijn belangen bevoegdelijk te hebben kunnen behartigen. De Raad wijst erop dat van de zijde van appellant onweersproken is gesteld dat hij al tijdens zijn minderjarigheid, maar ook daarna, niet in het ouderlijk huis verbleef, zijn problemen voor zijn ouders verborgen heeft gehouden en dat zijn gemachtigde wel bemoeienis had met de (financile) problemen van zijn ouders, maar niet met die van hem.

De Raad is voorts van oordeel dat op basis van de thans voorhanden zijnde gegevens niet aannemelijk is dat de ouders van appellant tijdens de minderjarigheid van hun zoon inzicht in de ernst van zijn psychiatrische aandoening hebben gehad en de consequenties daarvan voor zijn vermogen om met arbeid inkomen te verdienen. Hetgeen omtrent het gedrag van appellant in zijn jeugd is vermeld in het van de hand van appellants gemachtigde afkomstige verslag van 11 juli 1997 vormt daarvoor een onvoldoende basis.

Aldus komt de Raad tot het oordeel dat gedaagde op ondeugdelijke gronden het bestaan van een bijzonder geval niet heeft aanvaard.

Het bestreden besluit, alsmede de aangevallen uitspraak waarbij dit in stand is gelaten, komt deswege voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Voor afzonderlijke vergoeding van reiskosten van appellants professioneel gemachtigde is daarnaast geen plaats, nu vergoeding daarvan in de vergoeding van kosten voor rechtsbijstand begrepen is.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Verstaat dat gedaagde een nieuw besluit op het bezwaar van appellant nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag groot 644,- en in hoger beroep tot een bedrag groot 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2002.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J. Verrips.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wajong | Wajong | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x