Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wajong
x
LJN:
x
AF7117
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-03-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van een maatregel van 20% over de periode dat betrokkene in gebreke is geweest met de inzending van het vragenformulier. Is de maatregel ten bedrage van f 4476,17 evenredig aan de geconstateerde overtreding?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/1641 WAJONG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 13 december 1999 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

De rechtbank Alkmaar heeft bij uitspraak van 11 januari 2001 het tegen voormeld besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft I.T. Martens, werkzaam bij SRK-Rechtsbijstand, op in het beroepschrift - met bijlagen - vermelde gronden hoger beroep ingesteld tegen voormelde uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 21 januari 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door I.T. Martens als zijn raadsman, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.H. Beersma, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant ontvangt sedert 1976 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, welke ten tijde in geding is omgezet in een Wajong-uitkering.
Gedaagde heeft aan appellant op 25 november 1998 een vragenformulier gestuurd, waarop is aangegeven dat het formulier uiterlijk op 23 december 1998 moet zijn teruggestuurd. Appellant heeft het formulier teruggezonden op 21 september 1999. Hij heeft daardoor de gestelde termijn met 266 dagen overtreden. Bij besluit van 23 september 1999 heeft gedaagde op grond van artikel 3 van het Maatregelenbesluit aan appellant een maatregel opgelegd van 20% korting op de uitkering over de periode dat appellant in gebreke is geweest met de inzending van het formulier. Het als gevolg van deze maatregel onverschuldigd betaalde ziekengeld betreft een bedrag van f 4.476,17.

Gedaagde heeft in het bestreden besluit overwogen dat er geen reden is voor het aannemen van verminderde verwijtbaarheid of van dringende redenen om van het opleggen van de maatregel af te zien. Het bezwaar is ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

De Raad stelt vast dat niet betwist is dat appellant het formulier 266 dagen te laat heeft teruggezonden. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen redenen zijn om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Evenmin is sprake van dringende redenen om van het opleggen van een maatregel af te zien.
De Raad stelt evenwel vast dat, naar ter zitting van de Raad door de gemachtigde van gedaagde is erkend, de te late terugzending van het formulier geen financieel nadeel voor gedaagde heeft veroorzaakt. De inkomsten die appellant als taxichauffeur over het tijdvak van 24 december tot en met 31 december 1998 heeft verworven, hebben niet geleid tot een korting. Van 1 januari 1999 tot 21 september 1999 heeft appellant geen inkomsten verworven.
Onder verwijzing naar de uitspraak van 3 december 2002, nr. 00/3723, en 4130 WAO (bijgevoegd) overweegt de Raad dat de sanctie van f 4.476,17 onevenredig is aan de geconstateerde overtreding en dat daarom in het onderhavige geval artikel 3 van het Maatregelenbesluit buiten toepassing dient te blijven.

De conclusie is dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant, welke worden begroot op 644,- aan kosten van rechtsbijstand bij de rechtbank en 644,- aan kosten van rechtsbijstand bij de Raad.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant ten bedrage van 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2003.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wajong | Wajong | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x