Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wajong
x
LJN:
x
AF8481
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-04-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering Wajong-uitkering op de grond dat betrokkene na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op en na de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Heeft de rechtbank het bestreden besluit terecht vernietigd onder de overweging dat het bestreden besluit de toets der zorgvuldigheid niet kan doorstaan doordat de bezwaarverzekeringsarts, door niet te wachten op de informatie van het Centrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie Triversum, deze informatie niet bij zijn oordeelsvorming heeft kunnen betrekken?
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/3611 WAJONG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 19 januari 1999 heeft appellant geweigerd aan gedaagde een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen, onder overweging dat gedaagde na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op en na 24 april 1998 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

Bij besluit van 19 juli 1999 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 19 januari 1999 ongegrond verklaard.

De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 26 juni 2000 het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van die uitspraak, alsmede bepaald dat appellant aan gedaagde het griffierecht dient te vergoeden en appellant veroordeeld tot een proceskostenvergoeding van f 1.420,- ( 644,-).

Appellant heeft, op bij aanvullend beroepschrift van 4 oktober 2000 (met bijlage) aangevoerde gronden, tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Namens gedaagde heeft mr. L. Koning, advocaat te Haarlem, een verweerschrift d.d. 2 november 2000 (met bijlage) ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 november 2001, waar appellant niet is verschenen, terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Koning, voornoemd.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 21 januari 2002 aan R. Tonneijck, psychiater, verzocht van verslag en advies te dienen.
Voornoemde deskundige heeft de Raad op 27 juni 2002 over zijn bevindingen gerapporteerd.

Bij brief van 6 augustus 2002 (met bijlage) is van de zijde van appellant op het rapport van Tonneijck, voornoemd, gereageerd.

Desgevraagd heeft de deskundige Tonneijck hierop in een aanvullende rapport van 27 december 2002 gereageerd.

Partijen hebben desgevraagd toestemming gegeven de nadere behandeling van het geding ter zitting van de Raad achterwege te laten.




II. MOTIVERING


Gedaagde heeft op 11 augustus 1998 een aanvraag ingediend voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Op 9 september 1998 is gedaagde onderzocht door de verzekeringsarts W.M. Koek die, na informatie te hebben ingewonnen bij de behandelend klinisch psycholoog B. van Dongen, als diagnose stelde paniekaanvallen bij een persoonlijkheid met angstige en ontwijkende trekken. De verzekeringsarts heeft de belastbaarheid van gedaagde vastgelegd op het formulier 'Functie Informatie Systeem va/ad' van 10 september 1998. Op basis van de door de verzekeringsarts aangegeven belastbaarheid heeft de arbeidsdeskundige F. Schellevis met behulp van het Functie Informatie Systeem (FIS) een aantal gangbare functies geselecteerd, waarmee gedaagde een zodanig loon kon verwerven dat het verlies aan verdiencapaciteit ten opzichte van haar maatmaninkomen - dat door de arbeidsdeskundige is bepaald op het minimumloon - minder dan 25% bedroeg. Vervolgens heeft appellant bij besluit van 19 januari 1999 geweigerd aan gedaagde met ingang van 24 april 1998 een uitkering ingevolgde de Wajong toe te kennen. In bezwaar is informatie ingewonnen bij de behandelend psycholoog Van Dongen, die meedeelde dat hij gedaagde had verwezen naar het Centrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie Triversum (hierna te noemen: Triversum) te Alkmaar, en bij de aan Triversum verbonden psychiater J. Doorn, die meedeelde dat gedaagde op de wachtlijst stond voor opname. In zijn rapportage van 8 juni 1999 heeft de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst geconcludeerd dat het oordeel van de oorspronkelijk oordelend verzekeringsarts op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat er voldoende rekening is gehouden met gedaagdes beperkingen. Bij brief van 29 juni 1999 heeft de gemachtigde van gedaagde aan appellant bericht dat gedaagde met ingang van 21 juni 1999 is opgenomen in Triversum. Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 15 maart 2000 heeft appellant aan gedaagde met ingang van 19 juli 1999 een uitkering ingevolge de Wajong toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

De rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, overwegende - onder verwijzing naar een namens gedaagde ter zitting voorgelezen brief van 15 mei 2000 van de behandelend psychiater J. Doorn, voornoemd - dat het bestreden besluit de toets der zorgvuldigheid niet kan doorstaan, doordat de bezwaarverzekeringsarts, door niet te wachten op de informatie van Triversum, deze informatie niet bij zijn oordeelsvorming heeft kunnen betrekken.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank in strijd met artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en ondanks protest zijnerzijds, kennis heeft genomen van de ter zitting overgelegde brief van 15 mei 2000. Voorts heeft appellant aangevoerd van oordeel te zijn dat het bestreden besluit voldoende zorgvuldig is voorbereid en dat de bezwaarverzekeringsarts van oordeel is dat de nadere informatie van de behandelend psychiater zoals vervat in meergenoemde brief van 15 mei 2000 niet noopt om terug te komen op het standpunt met betrekking tot de arbeidsgeschiktheid van gedaagde per 24 april 1998.

Wat betreft de procedurele grieven overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Awb kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Naar het oordeel van de Raad dient de door de gemachtigde van gedaagde eerst ter zitting van 16 mei 2000 overgelegde verklaring d.d. 15 mei 2000 van de psychiater J. Doorn, verbonden aan Triversum, te worden aangemerkt als een nader stuk, als bedoeld in deze bepaling. In aanmerking genomen dat appellant door het in een zo laat stadium van de procedure in het geding brengen van dat stuk daarop niet naar behoren heeft kunnen reageren, had de rechtbank, gelet op de aard en de inhoud van dit stuk, nu zij in de gegeven omstandigheden afgezien heeft van de mogelijkheid om te weigeren dit stuk in ontvangst te nemen, ter vermijding van de situatie die artikel 8:58 van de Awb juist wenst te voorkomen, gebruik dienen te maken van haar bevoegdheid tot schorsing van het onderzoek ter zitting als bedoeld in artikel 8:64 van de Awb dan wel tot heropening van het onderzoek als bedoeld in artikel 8:68 van de Awb, teneinde appellant in de gelegenheid te stellen zich over de inhoud van bedoeld stuk uit te laten. Door dit achterwege te laten heeft de rechtbank in strijd gehandeld met de beginselen van een goede procesorde. Reeds om deze reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

De Raad heeft zich vervolgens beraden over de vraag of de zaak naar de rechtbank dient te worden teruggewezen. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend, nu nader onderzoek in de zaak niet (meer) noodzakelijk is. Ten aanzien van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden, overweegt de Raad het volgende.

Wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde beoordeling kent de Raad doorslaggevende betekenis toe aan de op verzoek van de Raad door de psychiater Tonneijck, voornoemd, op 27 juni 2002 en 27 december 2002 omtrent gedaagde uitgebrachte rapporten. Deze deskundige is van oordeel dat het aannemelijk is dat bij gedaagde op de in geding zijnde datum sprake was van een paniekstoornis en een sociale fobie op basis van een persoonlijkheidsstoornis, narcistische theatrale en vermijdende trekken, ten gevolge waarvan gedaagde volledig arbeidsongeschikt was.

In 's Raads vaste jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijk door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Dit kan onder meer anders zijn als zich de bijzondere situatie voordoet dat uit de reactie van die deskundige op een andersluidend oordeel van een door een partij ingeschakelde deskundige moet worden afgeleid dat de door de rechter ingeschakelde deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen.
Van deze laatste bijzondere situatie is in het onderhavige geval, gelet op het rapport van de deskundige van 27 december 2002, waarin hij gedetailleerd ingaat op de opmerkingen van de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst op zijn rapport van 27 juni 2002, en aangeeft waarom hij zich daarmee niet kan verenigen, geen sprake. Ook anderszins doet zich geen bijzondere situatie voor waarin afwijking van het oordeel van de deskundige gerechtvaardigd zou zijn.

Al het vorenoverwogene leidt de Raad tot het oordeel dat weliswaar de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, doch, wegens de ontkennende beantwoording van de hiervoor geformuleerde rechtsvraag, het inleidend beroep gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep, begroot op 644,- aan kosten voor rechtsbijstand en 18,26 voor reiskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover appellant daarbij is veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en is bepaald dat appellant aan gedaagde het in eerste aanleg gestorte griffierecht ten bedrage van f 60,- ( 27,23) vergoedt;
Verklaart het inleidende beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot 662,26 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2003.

(get.) J. Janssen.

(get.) A.C.W. van Huussen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wajong | Wajong | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x