Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wajong
x
LJN:
x
AT3814
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Overschrijding van de bezwaartermijn. Genoegzaam is gebleken van redenen ter verontschuldiging van het verzuim van betrokkene om het inleidende bezwaarschrift tijdig in te (laten) dienen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2329 WAJONG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. drs. M.B. Kramer, advocaat te Enschede, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 27 maart 2003, nummer 02/904 WAJONG W1 A, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, met als bijlage een nadere rapportage van de bezwaarverzekeringsarts E. Khoe van 21 juli 2003.

Partijen hebben over en weer nog op elkaars standpunten gereageerd.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 15 februari 2005, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 15 januari 2002 heeft gedaagde met ingang van 17 oktober 2000 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Gedaagde heeft de ingangsdatum van de uitkering overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Wajong bepaald op één jaar voor de datum waarop de aanvraag is ingediend en daarbij aangegeven geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in dat artikellid aanwezig te achten.

Bij brief van 3 april 2002 heeft P.B.F. van der Tuuk, casemanager bij Mediant geestelijke gezondheidszorg te Enschede, namens en met appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 september 2002 heeft gedaagde dit bezwaar wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank Almelo heeft bij haar hiervoor vermelde uitspraak het beroep tegen het besluit van 12 september 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Zowel in beroep als in hoger beroep heeft appellants gemachtigde aangevoerd dat appellant lijdt aan de stoornis van Asperger, een autistische spectrum stoornis, en dat hij tengevolge van de daaruit voortvloeiende beperkingen niet in staat is geweest om tijdig bezwaar te maken c.q. te laten maken. Deze stoornis, waarvan de aanwezigheid door gedaagde ook niet wordt ontkend, veroorzaakt in significante mate beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren, of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

De bezwaarverzekeringsarts Khoe heeft in een reactie bij verweer gesteld dat in geding is de vraag of er sprake is van een bijzondere omstandigheid op basis waarvan belanghebbende niet in staat kon worden geacht om zelf een bezwaarschrift in te dienen of door een ander in te laten dienen. Volgens Khoe kan op grond van de richtlijnen/jurisprudentie bij een dergelijke beoordeling slechts sprake zijn van bijzondere omstandigheden indien belanghebbende ontoerekeningsvatbaar was in psychiatrische zin (bijvoorbeeld psychotisch zijn of ernstig vitaal depressief zijn met als gevolg een volledig verlies aan autonomie). Appellant heeft in het verleden ook meermalen activiteiten ontplooid waarvoor een zekere mate van handelingsbekwaamheid noodzakelijk is. Op grond van de aanwezige medische gegevens kan er naar zijn mening, ondanks de diagnose, niet gesproken worden van een ernstig psychiatrisch beeld met volledig verlies van autonomie als evenbedoeld.

Ter ondersteuning van appellants standpunt heeft zijn gemachtigde ingebracht rapportages van de Gz-psycholoog dr. M.F. Delfos van 20 juni 2003 en 12 november 2003 waarin zij - wat betreft laatstgenoemde rapportage mede op basis van eigen onderzoek van appellant - het wisselende beeld van functioneren van appellant beschrijft en verklaart vanuit zijn stoornis. Het niet adequaat reageren op een uitspraak is te plaatsen in het kader van een overweldigende weerstand die opgeroepen wordt. Een kenmerkende aanwijzing voor het bestaan en de ernst van de stoornis is het deels lezen en vervolgens niet verder lezen van de primaire beslissing en in apathie terechtkomen, aldus dr. Delfos. Zij gaf voorts naar aanleiding van de verwijzing van Khoe naar de DSM-IV classificatie uit 1994 aan dat sedertdien de kennis over het syndroom van Asperger is verdiept en deze classificatie op dit aspect herziening behoeft.

De Raad is van oordeel dat op grond van het vorenstaande genoegzaam is gebleken van redenen ter verontschuldiging van het verzuim van appellant om het inleidende bezwaarschrift tijdig in te (laten) dienen. Het feit dat hij bij tijd en wijlen wel in staat is om adequaat te reageren laat onverlet dat in het ziektebeeld een grillig patroon van functioneren besloten ligt, hetgeen gezien de feiten en omstandigheden naar het oordeel van de Raad voor appellants situatie ook voldoende aannemelijk is gemaakt.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven, zodat moet worden beslist als hierna aangegeven in rubriek III.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, alsmede € 30,- aan reiskosten in hoger beroep voor het bezoek van appellant aan de hiervoor genoemde, door hem ingeschakelde deskundige Delfos.

Met betrekking tot de vordering van de kosten van de uitgebrachte rapporten van dr. Delfos is de Raad van oordeel dat deze vordering ad. € 193,50 voor toewijzing in aanmerking komt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.189,50, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant de betaalde griffierechten van € 116,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2005.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) H.H.M. Ho.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wajong | Wajong | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x