Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO / AAW / Wajong
x
LJN:
x
AT6403
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering Wajong-uitkering. Betrokkene had reeds vóór haar 17de verjaardag pols- en rugklachten, welke nadien niet zijn toe- of afgenomen. De geselecteerde functies overschrijden de belastbaarheid niet.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3256 WAO en 03/3257 AAW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, op bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen twee door de rechtbank Maastricht op 18 juni 2003 tussen partijen gegeven uitspraken (reg.nrs. AWB 2002/839 WAO en AWB 2002/840 AAW), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd bij brief van 19 januari 2005 nadere stukken toegezonden.

Mr. Grégoire, voornoemd, heeft bij brieven van 5 april 2004 en 18 februari 2005 nadere informatie toegezonden.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 23 maart 2005, waar appellante - met voorafgaand bericht - niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen B. Drossaert, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante was via Manpower Uitzendorganisatie BV werkzaam bij Nedcar toen zij op 28 juni 1999 uitviel met onder andere klachten van haar rechterarm. Gedaagde weigerde aanvankelijk appellante uitkering van ziekengeld te verstrekken, onder de overweging dat de arbeidsongeschiktheid van appellante reeds bestond bij aanvang van haar verzekering. Na gegrondverklaring van het bezwaar tegen deze beslissing bij besluit van 19 mei 2000 kende gedaagde appellante alsnog over de maximale termijn van 52 weken ziekengeld toe.

Appellante had inmiddels in november 1999 een aanvraag om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend, waarop gedaagde bij besluit van 10 juli 2000 afwijzend reageerde. Het bezwaar tegen dit besluit verklaarde gedaagde gegrond omdat de aanspraken van appellante niet op grond van de Wajong maar op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) hadden moeten worden beoordeeld.

Na nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek weigerde gedaagde appellante bij twee afzonderlijke besluiten van 3 augustus 2001 uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen na het bereiken van de wachttijd op 25 juni 2000, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen, respectievelijk AAW-uitkering toe te kennen omdat appellante op en na 6 mei 1996 minder dan 25% arbeidsongeschikt zou zijn. Bij afzonderlijke besluiten van 27 mei 2002 (hierna: bestreden WAO-besluit, respectievelijk bestreden AAW-besluit) verklaarde gedaagde beide bezwaren van appellante ongegrond. De rechtbank verklaarde beide beroepen, eveneens bij afzonderlijke uitspraken, ongegrond.

In hoger beroep heeft appellante het standpunt ingenomen dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte heeft gemeld dat er geen objectieve afwijkingen aan haar rechterarm zijn. Ten bewijze van de stelling dat er wel sprake is van objectieve afwijkingen heeft zij stukken in geding gebracht met betrekking tot een aan haar in bruikleen verstrekte elektrostimulator, een door haar ondergane behandeling middels een mannitolinfuus en een aangebracht inwendig apparaat voor inwendige neurostimulatie (ESES). Tevens heeft zij gesteld dat zij op grond van de beperkingen aan haar arm niet in staat is de geselecteerde functies te verrichten en dat de redenering dat zij geen jeugdgehandicapte kan zijn omdat zij in het verleden heeft gewerkt, onjuist is.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad overweegt allereerst dat het in deze gedingen gaat om twee te beoordelen data, namelijk 6 mei 1996 en 26 juni 2000. De verzekeringsarts X. Janssen-Brandt heeft zich blijkens haar rapport van 13 maart 2001 op het standpunt gesteld dat er reeds voor de 17e verjaardag pols- en rugklachten aanwezig waren, dat die hebben geleid tot het aannemen van beperkingen op de 17e verjaardag en dat nadien geen sprake is geweest van een toename of afname van die beperkingen. Mede omdat appellante dit standpunt niet heeft betwist, gaat de Raad uit van de juistheid van dit standpunt.

Het standpunt van appellante dat de bezwaarverzekeringsarts heeft gemeld dat er geen objectieve afwijkingen aan haar rechterarm zijn is juist. Dit betekent echter geenszins dat er geen rekening is gehouden met beperkingen in het gebruik van de rechterarm. Appellante is op 1 mei 2000 en op 13 maart 2001 op het spreekuur gezien door de verzekeringsarts Janssen-Brandt. Blijkens haar rapportages van laatstgenoemde datum en van 2 en 23 mei 2000 is er sprake van gewrichtsklachten van de rechterpols als gevolg van frequente ongevallen aan de rechterarm die appellante sinds haar jeugd zijn overkomen. Janssen-Brandt acht het aannemelijk dat de beperkingen in de rechteronderarm vanaf de vroege jeugd aanwezig zijn, maar dat de klachten pas ontstonden bij belasting na het starten van werk. Bij het opstellen van het belastbaarheidspatroon heeft Janssen-Brandt rekening gehouden met onder meer de polsklachten. De huisarts van appellante heeft desgevraagd aan Janssen-Brandt bij brief van 9 mei 2000 informatie verstrekt, waaruit blijkt dat appellante in 1997 bij de orthopedisch chirurg is geweest in verband met de pijnklachten aan de rechterpols, dat er toen bij röntgenonderzoek en arthrogram geen afwijkingen zijn gevonden, dat een expectatief beleid is uitgezet, dat appellante zich in maart 1998 weer bij de huisarts heeft gemeld vanwege haar aanhoudende polsklachten en dat haar toen is geadviseerd polsoefeningen te doen.

De bezwaarverzekeringsarts J. Jonker heeft blijkens haar rapport van 8 november 2001 tevens aangegeven dat de oorzaak van de klachten aan de rechteronderarm niet geheel duidelijk zijn, maar dat de klachten imponeren als plausibel en consistent. In haar rapport van 25 april 2002 heeft Jonker expliciet aangegeven dat zij zich kan verenigen met het door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon dat er op neerkomt dat zware belasting van de rechterhand en rechterpols vermeden moet worden.

De door appellante in geding gebrachte stukken met betrekking tot de elektrostimulator, het mannitolinfuus en de ESES hebben de Raad geen aanleiding gegeven om te oordelen dat op het punt van de belastbaarheid van de rechterpols en rechteronderarm appellante minder te belasten zou zijn dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Het betreft hier namelijk geen informatie van behandelend artsen, maar een bruikleenovereenkomst, afsprakenkaartjes en een van internet afkomstig artikel over neurostimulatie bij chronische pijn van de Patiënten Vereniging Voor Neurostimulatie. Zoals hiervoor reeds is overwogen wordt niet betwist dat appellante pijn heeft aan haar pols en wordt zij, omdat haar klachten plausibel en consistent zijn, beperkt geacht bij het gebruiken van de rechterpols en rechteronderarm. Ook overigens heeft de Raad geen aanleiding gevonden de vastgestelde belastbaarheid niet juist te achten.

De Raad is voorts van oordeel dat de belasting van de voor appellante geselecteerde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. De Raad onderschrijft daarbij met name de constatering van Jonker in haar rapport van 21 juni 2002 dat in geen van de functies zwaardere handbelasting (zware schroefbewegingen, het hanteren van zwaar gereedschap, zwaar tillen, etc.) voorkomt, evenmin als grove trillingen op de arm. Het loon van de mediane functie, afgezet tegen het maatmaninkomen, levert op 6 mei 1996 geen verlies aan verdiencapaciteit op en op 26 juni 2000 een verlies aan verdiencapaciteit van 2,9%. Gedaagde heeft dan ook terecht met ingang van respectievelijk 6 mei 1996 en 26 juni 2000 arbeidsongeschiktheidsuitkering geweigerd.

Ten aanzien van het bestreden AAW-besluit overweegt de Raad tenslotte dat gedaagde de aanvraag van appellante terzake van haar gestelde op 8 mei 1995 ingetreden arbeidsongeschiktheid op goede gronden heeft beoordeeld aan de hand van artikel 5 van de AAW, zoals dat artikel tot 1 januari 1998 luidde. Door de intrekking van de AAW per laatstgenoemde datum is het echter vanaf 1 januari 1998 niet meer mogelijk een AAW-uitkering toe te kennen, dan wel te weigeren. De Raad leest het bestreden AAW-besluit dan ook als een weigering Wajong-uitkering toe te kennen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wajong | Wajong | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x