Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wajong
x
LJN:
x
AV6749
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning Wajong-uitkering. Psychische klachten en alcoholverslaving. Geen terugwerkende kracht tot 1971. Ingangsdatum niet eerder dan ťťn jaar vůůr datum aanvraag. Bijzondere omstandigheden?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/44 WAJONG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op 19 december 2003 onder nummer AWB 02/1947 WAJONG tussen partijen gegeven uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellant is gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 februari 2006, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. K. van der Wal, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Appellant heeft in maart 2001 bij gedaagde een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingediend. Daarbij heeft hij als eerste arbeidsongeschiktheidsdag 3 december 1971 opgegeven, de dag waarop hij zeventien jaar werd. Als reden voor zijn aanvraag heeft hij vermeld psychische klachten te hebben, samenhangend met alcoholproblematiek, alsmede lichamelijke klachten.

Gedaagdes verzekeringsarts heeft een onderzoek ingesteld, waarvan deel uitmaakte het inwinnen van informatie bij appellants huisarts en het doen verrichten van een expertise door de zenuwarts A.M.A. Groot. Een lichamelijk onderzoek werd niet verricht, daar de psychische problematiek de boventoon bleek te voeren. Met name op grond van de bevindingen en conclusies van deze zenuwarts is als diagnose onder meer gesteld een gemengde persoonlijkheidsstoornis met borderline- en dwangkenmerken alsmede alcoholafhankelijkheid. Op grond hiervan is aangenomen dat bij appellant sprake is van langdurig onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren, in verband waarmee is afgezien van het opstellen van een belastbaarheidspatroon. Als eerste dag van de - aldus aangenomen algehele - arbeidsongeschiktheid is uitgegaan van de hiervoor genoemde datum 3 december 1971 waarop appellant de zeventienjarige leeftijd bereikte.

Bij besluit van 11 oktober 2002 heeft gedaagde appellant met ingang van 8 maart 2000, zijnde een jaar voorafgaande aan de aanvraag, in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat de uitkering niet eerder kan ingaan dan een jaar voor datum aanvraag, dat van deze regel kan worden afgeweken wanneer de betrokken verzekerde door bijzondere omstandigheden niet eerder kon aanvragen, maar dat de door appellant desgevraagd opgegeven reden dat hij de uitkering niet eerder heeft aangevraagd, te weten dat hij pas op latere datum door personen/instellingen hierop werd gewezen, niet als zodanige bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt.

Het namens appellant tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar betreft uitsluitend de ingangsdatum van de uitkering. Gewezen is in dit verband op eerder, onder meer in het begin van de jaren tachtig, met voor appellant negatief resultaat plaatsgevonden hebbende arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen. Er is een afschrift overgelegd van een besluit van 23 december 1982, bij welk besluit gedaagdes rechtsvoorganger, in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten, ter zake van een gestelde op 1 november 1981 ingetreden arbeidsongeschiktheid heeft geweigerd appellant met ingang van 31 oktober 1982 in aanmerking te brengen voor uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), op de grond dat, zo hij op 1 november 1981 inderdaad arbeidsongeschikt is geworden, die arbeidsongeschiktheid niet gedurende 52 weken heeft voortbestaan. Daarbij is aangegeven dat appellant per datum onderzoek 28 september 1982 niet arbeidsongeschikt was bevonden. Appellant is van mening aldus door gedaagde destijds op het verkeerde been te zijn gezet, hetgeen volgens appellant een bijzondere omstandigheid oplevert om de uitkering met een verdere terugwerkende kracht te doen ingaan.

Bij besluit van 20 december 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant houdt in hoger beroep zijn grieven staande. In het bijzonder blijft hij bij zijn opvatting dat de ingangsdatum van de hem toegekende Wajong-uitkering dient te worden gekoppeld aan de eerdere uitkeringsaanvraag uit 1982. Voorts wijst hij erop dat de (juiste) diagnose kennelijk heel moeilijk kon worden gesteld. Appellant is van mening dat (ook) daarin een bijzonder geval is gelegen.

De Raad ziet het hoger beroep van appellant niet slagen.

Met betrekking tot de gestelde aanvraag uit 1982 en het ter zake daarvan genomen besluit van 23 december 1982, overweegt de Raad het volgende.

De Raad laat in het midden of aannemelijk is te achten dat appellant destijds inderdaad de zijnerzijds gestelde aanvraag heeft gedaan - gedaagde heeft in dit verband terecht erop gewezen dat toentertijd ten aanzien van WAO-verzekerden doorgaans ambtshalve werd beoordeeld of na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 52 weken aanspraak bestond op een WAO- en AAW-uitkering - daar moet worden vastgesteld dat hoe dan ook, als reactie op een aanvraag van appellant dan wel als de uitkomst van een ambtshalve beoordeling door gedaagde, sprake is geweest van een afgeronde besluitvorming, welke zijn beslag heeft gekregen in het hiervoor vermelde besluit van 23 december 1982. Appellant heeft tegen dat besluit destijds, en zulks blijkens het verslag van de hoorzitting op grond van een welbewuste keuze, geen rechtsmiddelen aangewend, in verband waarmee dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

Aan de gestelde aanvraag voor een AAW- en WAO-uitkering in 1982 kan in het licht van het bovenstaande niet nogmaals een rechtens relevant te achten belang toekomen in het kader van het onderhavige verzoek om toekenning van een uitkering ingevolge de Wajong, noch via de weg dat laatstbedoelde uitkering geacht zou moeten worden reeds te zijn aangevraagd in 1982, noch via de weg dat in de aanvraag uit 1982 en de daarop gevolgde weigering van uitkering ingevolge de AAW en de WAO een bijzonder geval is gelegen als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong. Dat de aanspraken van appellant destijds mogelijkerwijs niet juist door gedaagde zijn beoordeeld en gewaardeerd, zoals appellant een en andermaal heeft doen stellen, maakt zulks niet anders. Het besluit uit 1982 kan hoogstens aan de orde komen in het kader van een aan gedaagde gericht verzoek om van dat besluit terug te komen, maar een zodanig verzoek is niet gedaan en het bestreden besluit bevat ter zake daarvan - dan ook - geen beslissing.

De Raad is van oordeel dat ook overigens geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in vorengenoemde bepaling, op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn de uitkering met een verdere terugwerkende kracht dan een jaar toe te kennen. De van de zijde van appellant aangevoerde omstandigheid dat de (juiste) diagnose kennelijk moeilijk kon worden gesteld levert, wat daar overigens van zij, geen bijzonder geval op. Doorslaggevend acht de Raad in dit verband dat op grond van de beschikbare gegevens het ervoor dient te worden gehouden dat appellant reeds in een vroegtijdig stadium moet hebben begrepen dat zijn gezondheidssituatie aanzienlijke beperkingen met zich bracht wat betreft zijn functioneren in het algemeen en wat betreft zijn functioneren in loonvormende arbeid in het bijzonder. Zoals ook ter hoorzitting door appellant is aangegeven, was hij zich eind jaren zeventig bewust van zijn alcoholproblematiek. Naar voorts ook in het in eerste aanleg ingediende beroepschrift wordt aangegeven, is appellant nooit in staat geweest tot het langdurig verrichten van inkomensvormende werkzaamheden. Hij had aldus veel eerder een uitkering kunnen aanvragen.

Naar ook in de aangevallen uitspraak is overwogen, is van de zijde van appellant in eerste instantie desgevraagd ter verklaring voor de late aanvraag aangegeven dat hij pas in een laat stadium door personen en/of instellingen attent is gemaakt op de mogelijkheid een Wajong-uitkering aan te vragen. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad kan een dergelijke onbekendheid met de wettelijke mogelijkheden geen bijzonder geval in vorenbedoelde zin opleveren.

Ten slotte wil de Raad niet nalaten op te merken dat in de aangevallen uitspraak ten onrechte wordt overwogen dat vermogensderving in de financiŽle sfeer een relevante factor vormt bij beantwoording van de vraag of in een voorliggende situatie sprake is van een bijzonder geval in de zin van de wet. Volgens vaste rechtspraak komt de financiŽle positie van een verzekerde eerst aan de orde in het kader van de wijze van gebruikmaking van de bevoegdheid om de uitkering met een verdere terugwerkende kracht dan een jaar te doen ingaan, derhalve nadat in positieve zin is beantwoord de vraag of sprake is van een bijzonder geval dat een zodanige bevoegdheid doet ontstaan. Laatstbedoelde vraag dient door de rechter in volle omvang te worden getoetst, in verband waarmee de Raad zich eveneens niet kan verenigen met de in de aangevallen uitspraak opgenomen overweging van de rechtbank dat zij geen aanleiding heeft om te oordelen dat gedaagde in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren om gebruik te maken van zijn voor bijzondere gevallen gegeven bevoegdheid om de arbeidsongeschiktheidsuitkering in beginsel eerder te doen ingaan dan 8 maart 2000.

De aangevallen uitspraak komt, met enige wijziging van de gronden waarop deze berust, voor bevestiging in aanmerking.

Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van J.P.Mulder als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wajong | Wajong | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x