Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wajong
x
LJN:
x
AW9243
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-04-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging Wajong-uitkering na vijfdejaarsherbeoordeling omdat betrokkene, gelet op de frequentie en ernst van zijn epileptische aanvallen, in staat moet worden geacht om duurzaam arbeid te verrichten, zij het dat enige beperkingen moeten worden aangenomen met het oog op stress- en risicoreductie.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/2593 WAJONG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 april 2004, 2003/693 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 april 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. P. Lardinois, advocaat te Nuth, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn zuster, A.M. Limpens-Toonen. Namens het Uwv is verschenen A.M.C. Crombach.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant lijdt sinds zijn jeugd aan epilepsie. Van 23 augustus 1971 tot 1 december 1971 heeft hij gewerkt als bediener van een eiersorteermachine. Per laatstgenoemde datum is appellant uitgevallen wegens een epileptische aanval. Er is geweigerd om hem in aansluiting op de toen geldende wachttijd van 52 weken een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering toe te kennen. Met ingang van 1 oktober 1976 is aan appellant een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een beoordeling in het kader van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen is de AAW-uitkering van appellant per 1 september 1997 ongewijzigd voortgezet. Per 1 januari 1998 is de AAW-uikering van appellant op grond van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen van rechtswege omgezet in een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

In 2002 heeft een vijfdejaarsherbeoordeling plaatsgevonden. De verzekeringsarts P.P.G. Meels heeft appellant op 20 augustus 2002 onderzocht en op dezelfde datum een rapport uitgebracht. Meels heeft op basis van de resultaten van zijn eigen onderzoek geconcludeerd dat appellant, gelet op de frequentie en ernst van de epileptische aanvallen, in staat moet worden geacht om duurzaam arbeid te verrichten, zij het dat enige beperkingen moeten worden aangenomen met het oog op stress- en risicoreductie.
Meels heeft de voor appellant vastgestelde mogelijkheden en beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Aan de hand hiervan heeft de arbeidsdeskundige J.G.M. Wouters functies voor appellant geselecteerd. In het door Wouters op 27 januari 2003 uitgebrachte rapport is als conclusie vermeld dat, gezien de aan de geselecteerde functies verbonden loonwaarde, de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedraagt. Bij besluit van 31 januari 2003 heeft het Uwv de Wajong-uitkering van appellant per 1 april 2003 ingetrokken.

In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts P. Kerbusch dossierstudie verricht, de gemachtigde van appellant gehoord en kennis genomen van een brief van de behandelend neuroloog dr. P.J.J. Koehler van 26 september 2002. Kerbusch heeft op 26 maart 2003 een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat appellant belastbaar is met arbeid, maar dat wel beperkingen moeten worden aangenomen in verband met optredende petit mal-insulten. Kerbusch heeft in dit verband vermeld dat appellant niet kan werken op grote hoogten, in ruimtes waar heftrucks rijden en in ruimtes waar veel lichtflitsen zijn, en dat in het algemeen geldt dat omstandigheden waarin een vergrote kans bestaat dat appellant zichzelf of anderen verwondt dan wel in gevaar brengt, vermeden moeten worden. Verder heeft Kerbusch aangegeven dat, in verband met een toename van de aanvalsfrequentie bij stress, het werk niet te stresserend mag zijn of te veel mag appelleren aan de flexibiliteit van appellant. Kerbusch heeft vervolgens vastgesteld dat met deze beperkingen al rekening was gehouden en dat er derhalve geen reden is voor aanpassing van de opgestelde FML.

De bezwaren van appellant zijn bij besluit van 3 april 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarbij zij heeft overwogen dat zowel de medische als de arbeidskundige kant van de voorliggende arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voor juist kunnen worden gehouden.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat hij volledig arbeidsongeschikt is als gevolg van zijn ernstige klachten in verband met epilepsie in combinatie met de omstandigheid dat hij meer dan dertig jaar niet aan het arbeidsproces heeft deelgenomen. Ter ondersteuning van het hoger beroep zijn namens appellant medische stukken ingebracht, waaronder een brief van de neuroloog dr. M.H.J.A. Debeij-van Hall van 17 maart 2003, opgesteld in het kader van een second opinion, en een brief van de GGD-arts J.R.H. Bosch van 8 augustus 2005.
Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat voldoende rekening is gehouden met de medische beperkingen van appellant, waarbij is verwezen naar een aanvullend rapport van de bezwaarverzekeringsarts R.M.A.G. Brouns van 24 februari 2006, opgesteld naar aanleiding van de namens appellant ingebrachte stukken.

De Raad overweegt als volgt.

De aan het bestreden besluit ten grondslag liggende inschatting van de belastbaarheid van appellant berust op eigen onderzoek door de verzekeringsarts Meels en het door de bezwaarverzekeringsarts Kerbusch uitgevoerde onderzoek, die hierbij mede informatie van de behandelend neuroloog heeft betrokken. De Raad is van oordeel dat het verrichte verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en het is de Raad niet gebleken dat de uitkomsten van dit onderzoek voor onjuist moeten worden gehouden. De door appellant in hoger beroep ingebrachte medische stukken bieden naar het oordeel van de Raad geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid. Hierbij wijst de Raad erop, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Brouns van 24 februari 2006, dat de ingebrachte brief van de neuroloog Debeij-van Hall van 17 maart 2003, die kort voor de in geding zijnde datum, 1 april 2003, is opgesteld, in feite de juistheid bevestigt van de door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts aangenomen frequentie en ernst van de epileptische aanvallen.

Voorts is de Raad, mede gezien het in hoger beroep ingebrachte rapport van de arbeidsdeskundige J.G.M. Wouters van 25 april 2005, van oordeel dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem geschikt kunnen worden geacht. Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie hoogstbelonende functies met het voor appellant geldende maatmaninkomen resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 25%. Het Uwv heeft derhalve terecht de Wajong-uitkering ingetrokken.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.




III. BESLISSING



De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W.P. van der Hoeven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wajong | Wajong | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x