Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wajong
x
LJN:
x
AY4875
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering om terug te komen van een eerder besluit. Ingangsdatum van toekenning van de Wajong-uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/2994 WAJONG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 19 april 2004, 03/425, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 21 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld en betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006. Appellant was vertegenwoordigd door mr. A.J.M. van Hees. Betrokkene was in persoon aanwezig, bijgestaan door mr. E.H.M. Graafmans, advocaat te Middelburg, en dr. Tj.W. Waterbolk, de betrokkene behandelend cardiothoracaal chirurg, verbonden aan het Academisch Ziekenhuis Groningen.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 11 april 1997 is geweigerd aan betrokkene een AAW-uitkering toe te kennen onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per 27 juni 1993 (op welke datum betrokkene de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt) minder dan 25% bedroeg. Tegen dat besluit is toentertijd geen rechtsmiddel aangewend, zodat verder van de in rechte onaantastbaarheid van dat besluit moet worden uitgegaan.

Op 12 februari 2002 heeft betrokkene verzocht aan haar per 27 juni 1993 een Wajong-uitkering toe te kennen.
Bij besluit van 15 november 2002 is aan betrokkene per 31 december 2002 een Wajong-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. De Raad begrijpt dat besluit aldus dat daarbij primair tevens impliciet is geweigerd terug te komen van het besluit van 11 april 1997.

Bij besluit van 23 mei 2003 is ongegrond verklaard het bezwaar van betrokkene tegen de (impliciete) weigering terug te komen van het besluit van 11 april 1997. Daartoe is - met verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - overwogen dat uit de door betrokkene overgelegde medische gegevens niet blijkt dat haar arbeidsongeschiktheid op 27 juni 1993 onjuist zou zijn beoordeeld, dat er evenmin sprake is van nieuwe medische gegevens die bij het nemen van dat besluit niet bekend waren en dat dat besluit thans niet als kennelijk onjuist is aan te merken.

Bij hetzelfde besluit van 23 mei 2003 is voorts gegrond verklaard het bezwaar van betrokkene tegen de datum per welke de Wajong-uitkering is toegekend. De ingangsdatum van deze uitkering is vervolgens gewijzigd van 31 december 2002 in 12 februari 2001. Daartoe is overwogen dat betrokkene - uitgaande van 15 december 1999 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag (de dag waarop betrokkene in het ziekenhuis is opgenomen wegens hartritmestoornissen) en een wachttijd van 52 weken - weliswaar per 13 december 2000 naar een mate van 80% of meer arbeidsongeschikt is, maar de gevraagde uitkering bij gebrek aan bijzondere omstandigheden niet vroeger dan een jaar vr de datum van aanvraag kan ingaan.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 23 mei 2003 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd (alsook bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt en het griffierecht aan betrokkene wordt vergoed).
Wat appellants weigering terug te komen van het besluit van 11 april 1997 betreft heeft de rechtbank daartoe geconcludeerd dat appellant zich niet op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake was van omstandigheden op grond waarvan herziening van het besluit van 11 april 1997 kon plaatsvinden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat er sprake is van nader gebleken medische gegevens over de toestand van betrokkene in de loop van 1996 en 1997 welke, waren zij bij de in 1996 ingediende AAW-aanvraag en het daarop gevolgde onderzoek door de verzekeringsarts bekend geweest, bij het nemen van het besluit van 11 april 1997 tot een andere uitkomst hadden geleid.
De vraag of er sprake is van een bijzonder geval (als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wajong) is door de rechtbank bevestigend beantwoord met dien verstande dat zij van oordeel is dat er voldoende aanleiding is om ervan uit te gaan dat reeds vanaf de datum van indiening van de AAW-aanvraag in 1996 - en niet per een nog daarvoor gelegen datum - sprake moet zijn geweest van een zodanig verslechterde lichamelijke toestand van betrokkene dat zij vanaf dat tijdstip wegens het ontbreken van rele belastbaarheid in aanmerking zou moeten komen voor de gevraagde uitkering. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen enerzijds dat eerst achteraf ten volle inzicht is verkregen in de lichamelijke toestand van betrokkene en anderzijds dat de niet correcte wijze van bejegening door de verzekeringsarts er mede toe heeft geleid dat betrokkene eerst op 12 februari 2002 (opnieuw) een aanvraag heeft ingediend.

In hoger beroep heeft appellant tegen beide onderdelen van de aangevallen uitspraak bezwaar gemaakt.

Allereerst is aangevoerd dat terecht is geweigerd terug te komen van het besluit van 11 april 1997, omdat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Een andere inschatting van de gevolgen van dezelfde medische gegevens kan ingevolge de jurisprudentie van de Raad geen nieuw medisch feit opleveren. In geen van de overgelegde medische gegevens is gemotiveerd aangegeven dat betrokkene meer beperkt was dan is aangegeven in het op 30 januari 1997 vastgestelde belastbaarheidspatroon, laat staan dat het besluit van 11 april 1997 evident onjuist was. Wat de bejegening van betrokkene door de verzekeringsarts voorafgaande aan het besluit van 11 april 1997 betreft kan slechts worden gevaren op het rapport van die verzekeringsarts van 30 januari 1997 en de subjectieve ervaring van betrokkene, maar op grond daarvan kan het oordeel van de rechtbank niet worden gedeeld.
Voorts is wat de mate van (meer dan n jaar) terugwerkende kracht betreft evenzeer aangevoerd dat uit het rapport van de verzekeringsarts niet valt af te leiden dat de bejegening van betrokkene door hem onheus of grievend is geweest. Uit dat rapport blijkt veeleer van een meningsverschil over de medische beoordeling en de bij betrokkene ontstane onvrede met de reactie van de verzekeringsarts op een van de door betrokkene opgegeven redenen om een AAW-uitkering aan te vragen, te weten dat het wegvallen van studiefinanciering geen grond kan zijn om zon uitkering toe te kennen.
Er is toen geen klacht ingediend tegen de beweerdelijk onheuse bejegening door de verzekeringsarts.
Naar appellants mening kan uit de gedingstukken niet blijken van feiten of omstandigheden die aan het eerder dan op 12 februari 2002 aanvragen in de weg hebben gestaan, zodat er geen sprake is van een bijzonder geval.

De Raad overweegt als volgt.

Allereerst zal de Raad ingaan op appellants weigering terug te komen van het besluit van 11 april 1997.
Het door betrokkene op 12 februari 2002 ingediende verzoek strekt ertoe dat appellant ten voordele van betrokkene terugkomt van zijn in rechte onaantastbaar geworden besluit van 11 april 1997.
Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Bewoording en strekking van artikel 4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. Echter, indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere weigering handhaaft, dan opent dat niet de weg naar een toetsing als betreft het een oorspronkelijk besluit. Zon wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het gebruikmaken van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot beantwoording van de vraag of er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
De evidente onjuistheid van een besluit waarvan terugkoming wordt gevraagd, speelt sedert enige tijd naar vaste jurisprudentie van de Raad geen beslissende rol meer (zie de uitspraak van de Raad van 4 december 2003, LJN AN9805).
Voorts kunnen uit de aard der zaak bij de beoordeling van het bestreden besluit niet worden betrokken de door betrokkene eerst in beroep en/of in hoger beroep ingebrachte stukken die niet bij appellant bekend waren bij het nemen van dat besluit (zie de uitspraak van de Raad van 30 maart 2004, LJN AO8674).

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene aan haar verzoek terug te komen van het besluit van 11 april 1997 (met als datum in geding 27 juni 1993) geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. De Raad vermag niet in te zien dat betrokkene hetgeen zij te dien aanzien in het kader van de thans aanhangige procedure (tot aan het bestreden besluit) te berde heeft gebracht, niet reeds naar voren had kunnen (doen) brengen in het kader van een beroep dat zij tegen het besluit van 11 april 1997 had kunnen instellen, maar niet heeft ingesteld.
Gelijk de aan het Academisch Ziekenhuis Groningen verbonden cardioloog dr. P.G. Pieper (bij wie betrokkene begin 1997 in behandeling is gekomen) in zijn bij de herhaalde aanvraag overgelegde brief van 11 januari 2002 heeft aangegeven, heeft hij geen andere diagnose gesteld dan eerder in het Dijkzigt Ziekenhuis te Rotterdam door de haar daar toen behandelende cardiologe is gesteld, maar wordt verschillend gedacht over de daaraan te verbinden gevolgen met name wat een operatieve ingreep betreft (welke eerst op 4 december 1997 heeft plaatsgevonden en waarna betrokkene zeer sterk is opgeknapt, welke verbeterde situatie tot aan het ontstaan van boezemritmestoornissen eind 1999 heeft voortgeduurd).
Voorzover sprake is geweest van onheuse bejegening van betrokkene door de verzekeringsarts voorafgaand aan het besluit van 11 april 1997, ziet de Raad daarin geen verontschuldigbare reden voor het niet instellen van beroep tegen dat besluit. Zon bejegening zou al dan niet tezamen met de door betrokkene aangevraagde second opinion juist aanleiding hebben moeten geven tot het instellen van beroep. Hierin kan dan ook geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid worden gezien.

Dit betekent dat wat de weigering terug te komen van het besluit van 11 april 1997 betreft appellants hoger beroep slaagt.

Vervolgens zal de Raad ingaan op de weigering om de Wajong-uitkering toe te kennen per een vroegere datum dan 12 februari 2001.

Dit onderdeel van het geschil is toegespitst op de vraag of sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan kan worden afgeweken van de in de eerste zin van artikel 29, tweede lid, van de Wajong neergelegde regel dat de uitkering niet vroeger kan ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning werd ingediend.
Van een bijzonder geval als hier bedoeld is naar vaste jurisprudentie van de Raad sprake, indien de aanvrager in geval van een te late aanvraag redelijkerwijs kan worden geacht niet in verzuim te zijn.
Uit de bij besluit van 11 april 1997 afgewezen aanvraag is af te leiden dat betrokkene in ieder geval reeds sedert begin 1996 bekend was met de mogelijkheid van het aanvragen van een AAW-uitkering (waarmee de Raad niet gezegd wil hebben dat onbekendheid met het bestaan van de mogelijkheid tot het aanvragen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering een bijzonder geval oplevert of kan opleveren). Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden tegen het besluit van 11 april 1997, terwijl - zoals de Raad hiervoor heeft aangegeven - in de beweerdelijk onheuse bejegening door de verzekeringsarts voorafgaand aan dat besluit geen verontschuldiging valt te zien voor dat achterwege laten. De sinds de operatie op 4 december 1997 tot eind 1999 verbeterde gezondheidstoestand van betrokkene kan evenmin in de weg hebben gestaan aan het eerder indienen van een aanvraag door hetzij betrokkene hetzij een ander voor haar. De Raad deelt ook niet het oordeel van de rechtbank dat eerst achteraf ten volle inzicht is verkregen in de lichamelijke gezondheidstoestand van betrokkene vanaf 1996. Zoals hiervoor is aangegeven bestond er tussen de behandelende cardiologen in Rotterdam en Groningen geen verschil van mening over de diagnose, maar over de daaraan te verbinden gevolgen. De Raad betrekt hierbij voorts dat uit de gedingstukken blijkt, en door de ter zitting van de Raad door de cardioloog desgevraagd verstrekte gegevens ook is bevestigd, dat betrokkene ondanks haar aangeboren hartafwijking en de als gevolg daarvan ondervonden problemen kans heeft gezien tot op HBO-niveau onderwijs te volgen. Dit is op zichzelf een prestatie die bewondering afdwingt, maar geeft tevens aan dat de gezondheidstoestand waarin betrokkene tussen haar 18e verjaardag op 27 juni 1993 en haar Wajong-aanvraag op 12 februari 2002 heeft verkeerd n of meer (tamelijk lang geduurd hebbende) perioden heeft gekend waarin zij tot het indienen van een aanvraag zeer wel in staat moet worden geacht te zijn geweest en reeds getuige de door haar in begin 1996 ingediende AAW-aanvraag ook is geweest. Uit de gedingstukken is voorts af te leiden dat het betrokkene tussen 27 juni 1993 en 12 februari 2002 op meerdere momenten ten volle duidelijk moet zijn geweest dat haar mogelijkheden tot het verrichten van arbeid tengevolge van haar lichamelijke gezondheidstoestand ernstig beperkt waren.
Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat betrokkene redelijkerwijs kan worden geacht niet in verzuim te zijn geweest.
Dit betekent dat wat de weigering tot toekenning van de Wajong-uitkering per een vroegere datum dan 12 februari 2001 betreft appellants hoger beroep eveneens slaagt.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidende beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Janssen en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2006.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wajong | Wajong | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x