Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wajong
x
LJN:
x
AY6014
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking van de eerder naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% vastgestelde Wajong-uitkering, omdat betrokkene met ingang van de intrekkingsdatum minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Is de medische grondslag juist vastgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/3578 WAJONG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 mei 2004, 03/1037 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. B. Willemsen, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld en daarbij een aantal bijlagen overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij het rapport van de bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans van 6 augustus 2004 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2006.
Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar echtgenoot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.M.J.E. Budel.




II. OVERWEGINGEN


Ten aanzien van appellante is, na een aanvankelijke afwijzing door een voormalige bedrijfsvereniging op 25 mei 1992, naar aanleiding van de daartegen ingestelde beroepsprocedure, waarin op 22 augustus 1992 door de psychiater dr. Th.B. Kraft als deskundige advies is uitgebracht, bij besluit van een andere voormalige bedrijfsvereniging van 15 februari 1995 vastgesteld dat appellante tot 20 december 1982 gedurende 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest in de zin van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Bij laatstgenoemd besluit is aan appellante voorts met toepassing van artikel 25, tweede lid, van de AAW met ingang van 14 december 1989 een AAW-uitkering toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is met ingang van 1 januari 1998 omgezet in een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en appellante is bij besluit van de rechtsvoorgangster van het Uwv van 5 juni 1998 ongewijzigd 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht in de zin van de Wajong.

De verzekeringsarts E. Sijtsma heeft appellante in het kader van een heronderzoek op 14 november 2001 onderzocht. Wat betreft het lichamelijk onderzoek heeft Sijtsma gewezen op een bij zijn rapport van eveneens 14 november 2001 gevoegd rapport van de reumatoloog H.A. Cats van 14 april 2000 aan de huisarts van appellante. Aansluitend bij het rapport van Cats stelde Sijtsma vast dat er enige functiebeperkingen van het bewegingsapparaat waren. Voorts nam Sijtsma bij zijn onderzoek enige psychische klachten waar. Hij stelde als diagnose “Fibromyalgie?, met depressieve klachten” en beschreef in zijn rapport de voor appellante in aanmerking te nemen fysieke en psychische beperkingen, welke werden neergelegd in het bij dit rapport gevoegd belastbaarheidspatroon. De psychische beperkingen betroffen het onderdeel 28A (werken onder tijdsdruk), 28B (dwingend werktempo), 28E (conflicthantering) en 28H (verantwoordelijkheid, afbreukrisico). Op basis hiervan en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 29 januari 2002 selecteerde de arbeidsdeskundige M.M.A. Kok blijkens haar rapport van 22 februari 2002, waarin zij aangaf dat op appellante het zogeheten middencriterium van toepassing was, een vijftal functies en berekende zij, uitgaande van het loon in de middelste van die functies, het verlies aan verdienvermogen op 1%. Vervolgens nam het Uwv het besluit van 15 mei 2002, waarbij de Wajong-uitkering van appellante met ingang van 16 juli 2002 werd ingetrokken.

In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten, mede naar aanleiding van het verhandelde tijdens de hoorzitting op 28 oktober 2002, bij brief van 21 november 2002 aan de psychiater J.D.J. Tilanus om een expertise verzocht. Tilanus heeft appellante op 5 maart 2003 onderzocht en heeft op 20 maart 2003 aan Joosten rapport uitgebracht. In dit rapport heeft Tilanus de lichamelijke en psychische klachten van appellante, welke zij naar haar zeggen vrij goed kan maskeren, beschreven. Voorts heeft Tilanus in zijn rapport onder andere de (familiale) voorgeschiedenis van appellante opgetekend. Volgens Tilanus doet zich bij appellante geen psychopathologie, behorend tot een psychiatrische syndroomformatie voor. Wel beschrijft hij enige kenmerken van de persoonlijkheid van appellante, zoals onzekerheid, insufficiëntiegevoelens, de ietwat appellerende houding en het benadrukken van psychosomatische gevoelens. Er zijn echter geen kenmerken van een depressief syndroom of van een neurastheen syndroom. De wisselende lichaamsgevoelens kunnen als vertaling van andere bij appellante levende gevoelens worden omschreven en in de fenomenologische classificatie van DSM-IV worden omschreven als een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Volgens Tilanus is er sprake van enige psychopathologie in de karakterontwikkeling en de persoonlijkheidsstructuur in de vorm van een histrionische persoonlijkheidsstoornis. De uit deze stoornis voortvloeiende beperkingen brengen, aldus Tilanus, mee dat appellante ietwat meer dan gemiddeld is aangewezen op structuur en overzichtelijkheid in werk, niet is opgewassen tegen aanhoudend hoge tempodruk en snelle wisselingen van werkdoel en niet geschikt is tot een zich aanhoudend open, kwetsbaar en dienstbaar opstellen in een publieksvriendelijk contact. Een urenbeperking gaf Tilanus daarbij niet aan. Mede naar aanleiding van de conclusies van Tilanus heeft Joosten in een rapport van 28 oktober 2002/27 maart 2003 geconcludeerd dat er bij vergelijking van de door Tilanus genoemde beperkingen met de door Sijtsma aangegeven beperkingen geen aanleiding is het medisch oordeel van Sijtsma te wijzigen. Vervolgens handhaafde het Uwv bij zijn besluit van 1 april 2003 het hiervoor vermelde primaire besluit.

In beroep is namens appellante gewezen op het hiervoor vermelde rapport van Kraft en is aangegeven dat het opvallend is dat ook uit het rapport van Tilanus wederom volgt dat enkel arbeid zou kunnen worden verricht indien zou worden voldaan aan de aangegeven voorwaarden. Dit betreft de meest gunstige arbeidsomstandigheden, waaraan in de visie van appellante, aldus haar gemachtigde, nimmer kan worden voldaan. Voorts is aangegeven dat appellante in verband met deze WAO-procedure, waarin zij eerst na de hoorzitting kennis heeft genomen van het rapport van Kraft, een ernstige terugslag heeft gehad.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Op basis van de beschikbare medische gegevens, waaronder de rapporten van Sijtsma en Joosten en de aan Joosten uitgebrachte expertise van Tilanus, zag de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante op 16 juli 2002. De rechtbank onderschreef niet het standpunt van appellante dat de door Kraft en Tilanus geschetste arbeidsvoorwaarden niet te rijmen vallen met de geduide functies. Daartoe wees de rechtbank erop dat het rapport van Kraft dateert van
22 augustus 1992 en derhalve ziet op de gezondheidstoestand van appellante van bijna tien jaar voor de datum thans in geding. Bovendien laat volgens de rechtbank de slotconclusie van Kraft dat de vraag zich voordoet of de persoonlijkheids- stoornis van appellante niet altijd een beletsel heeft betekend of nog zal betekenen voor arbeid in loondienst, onverlet dat de gezondheidstoestand tien jaar later kan zijn verbeterd. Verder oordeelde de rechtbank dat het rapport van Tilanus evenmin aanleiding geeft voor de daaraan door appellante verbonden conclusie.
De rechtbank onderschreef ten slotte ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante het in eerste aanleg voorgedragen standpunt in essentie herhaald. Voorts heeft de gemachtigde een naar haar zeggen door de rechtbank niet aanvaarde verklaring van de appellante behandelend psychiater H.J. Minkema van 27 mei 2003 overgelegd en een verklaring van de huisarts van 14 april 2004. Minkema heeft in zijn rapport aangegeven dat de al jaren bestaande klachten van appellante momenteel verergerd zijn. Als diagnose stelde Minkema een somatoforme stoornis NAO, een aanpassingsstoornis met depressieve klachten en een dysthyme stoornis. Ook de huisarts, die appellante in april 2003 naar Minkema verwees, sprak van een dysthyme en een somatoforme stoornis.

In reactie hierop heeft het Uwv het in rubriek I van deze uitspraak vermelde rapport van Hofmans ingestuurd. Daarin is aangegeven dat Minkema de toestand van appellante in mei 2003 beoordeelde en dat de door Minkema vermelde toename van klachten niet relevant is voor de datum bij het bestreden besluit in geding.

De Raad heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Evenals de rechtbank en op de door haar aangegeven grond komt ook de Raad niet tot het oordeel dat aan het rapport van Tilanus de hiervoor vermelde conclusie van appellante kan worden verbonden. De Raad is voorts van oordeel dat de door Tilanus geformuleerde beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid overeenkomen met de door Sijtsma in het FIS-formulier opgenomen beperkingen bij het onderdeel 28, zodat kan worden ingestemd met de conclusie van Joosten in de bezwaarprocedure ten aanzien van het onderzoek van Sijtsma. De Raad is verder met het Uwv van oordeel dat de door Minkema beschreven verergering van de klachten in verband met de afwijzing van het hoger beroep van appellante in maart/april 2003 - de Raad neemt aan dat Minkema bedoelt het nemen van het bestreden besluit op 1 april 2003 - ziet op een ontwikkeling van de gezondheidstoestand van appellante na de datum thans in geding. De Raad kan verder aan het door de gemachtigde van appellante bij brief van 16 juni 2006 overgelegde rapport van de psycholoog drs. L. van Domburgh van 3 februari 2005 niet die betekenis toekennen die de gemachtigde daaraan wenst te geven. Met betrekking tot het in dit rapport betrokken, maar niet nader onderbouwde, standpunt dat Tilanus bij zijn onderzoek geen juiste indruk kon krijgen van appellante vanwege de door appellante toen gebruikte medicatie, merkt de Raad op dat deze medicatie door Tilanus op blz. 6 van zijn rapport is beschreven. Gelet hierop komt het de Raad niet aannemelijk voor dat Tilanus in zijn rapport geen melding zou hebben gemaakt van eventuele invloed van deze medicatie op de zijn vakgebied betreffende waarnemingen. Voor het overige ziet de Raad dit rapport niet in het bijzonder betrekking hebben op de datum in geding, maar veeleer een weerslag te zijn van de bevindingen van Van Domburgh ten tijde van het onderzoek. Ten slotte acht de Raad het opmerkelijk dat Van Domburgh op grond van de door appellante gemelde gewrichtspijnen conclusies verbindt welke niet op het vakgebied van een psycholoog liggen.

Nu de Raad, mede bezien in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht, ook niet is gebleken dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit rechtens voor onjuist zou moeten worden gehouden, komt hij tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wajong | Wajong | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x