Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wajong
x
LJN:
x
AZ3403
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-11-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing van het verzoek om te beslissen de aan betrokkene toegekende Wajong-uitkering met toepassing van de hardheidsclausule niet te beëindigen indien betrokkene in Griekenland gaat wonen. Betrokkenes ouders willen remigreren naar hun vaderland Griekenland en betrokkene is voor zijn verzorging van hen afhankelijk is. De afwijzingsbrief is een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Terugwijzing van de zaak naar de rechtbank omdat de rechtbank ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 06/483 WAJONG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 december 2005, nummer 05/869 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 november 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. G.Tj. de Jong, advocaat te Utrecht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door M. Florijn.




II. OVERWEGINGEN


Het Uwv heeft appellant een uitkering toegekend ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), die is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Bij brief van 11 oktober 2004 is namens appellant aan het Uwv verzocht om te beslissen de aan appellant toegekende uitkering met toepassing van de hardheidsclausule niet te beëindigen indien appellant in Griekenland gaat wonen. Daartoe is gesteld dat er sprake is van een zwaarwegende reden om in het buitenland te gaan wonen als bedoeld in artikel 2 van de ‘Beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland’ van 29 april 2003 (Staatscourant 2003, nummer 84), aangezien de ouders van appellant willen remigreren naar hun vaderland Griekenland en appellant voor zijn verzorging van hen afhankelijk is.

Het Uwv heeft bij schrijven van 18 oktober 2004 afwijzend beslist op voormeld verzoek. Het hiertegen namens appellant ingediende bezwaar is door het Uwv bij besluit van 8 maart 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat niet is komen vast te staan dat appellant voor zijn verzorging afhankelijk is van zijn ouders. Verder is overwogen dat er voor de ouders van appellant geen noodzaak bestaat om naar Griekenland te verhuizen.

Bij de aangevallen uitspraak is het namens appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit door de rechtbank gegrond verklaard en is dit besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat het Uwv aan appellant griffierecht en proceskosten dient te vergoeden. Verder heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bezwaar van appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Deze beslissing heeft de rechtbank doen steunen op de overweging dat, nu geen concrete verhuisdatum is vermeld, het verzoek van appellant van 11 oktober 2004 niet meer is dan een verzoek om informatie. Derhalve acht de rechtbank het schrijven van het Uwv waartegen appellant bezwaar heeft gemaakt louter informatief van aard en niet gericht op enig rechtsgevolg, zodat dit schrijven niet kan worden aangemerkt als appellabel besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank heeft ter onderbouwing van haar oordeel verwezen naar de uitspraken van de Raad van 31 mei 2002, 00/3857 Wajong (LJN AE4031), en 10 december 2002, 00/3335 Wajong (LJN AF3434).

Tegen de aangevallen uitspraak is namens appellant hoger beroep ingesteld. Daartoe is in hoofdzaak aangevoerd dat appellant bij brief van 11 oktober 2004 heeft verzocht om een besluit te nemen ter zake van de toepassing van meerbedoelde hardheidsclausule en dat uit het schrijven van 18 oktober 2004 blijkt dat door het Uwv een concrete toetsing heeft plaatsgevonden van de feitelijke situatie van appellant aan het begrip ‘onbillijkheid van overwegende aard’ als bedoeld in artikel 17, zevende lid, van de Wajong en aan de beleidsregels ter zake.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:1 van de Awb kan tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van die wet een bezwaarschrift worden ingediend.

Het begrip besluit is in artikel 1:3 van de Awb gedefinieerd als ‘een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling’. Hierbij geldt dat er sprake is van een rechtshandeling als het bestuursorgaan een beslissing heeft genomen die op enig extern rechtsgevolg is gericht. Verder is in het tweede lid van artikel 1:3 van de Awb uitdrukkelijk bepaald dat de afwijzing van een aanvraag van een beschikking een besluit is.

In artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wajong is bepaald dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. Deze bepaling is dwingendrechtelijk van aard en laat op zichzelf bezien geen ruimte voor uitzonderingen.

Bij Wet van 19 december 2003, houdende een verbeterde formulering van de hardheidsclausule inzake de export van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering naar het buitenland (Staatsblad 2003, 544), is evenwel het huidige zevende lid aan artikel 17 van de Wajong toegevoegd. Ingevolge deze wet, die met ingang van 1 januari 2004 in werking is getreden, kan het Uwv het eerste lid, aanhef en onder c, van artikel 17 van de Wajong buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid zijn door het Uwv beleidsregels vastgesteld, waarop appellant zich in zijn verzoek van 11 oktober 2004 uitdrukkelijk heeft beroepen.

Bij schrijven van 18 oktober 2004 heeft het Uwv geweigerd van zijn bevoegdheid om met toepassing van het zevende lid van artikel 17 van de Wajong af te wijken van het bepaalde in het eerste lid van dat artikel gebruik te maken. Een weigering toepassing te geven aan een hardheidsclausule is onmiskenbaar gericht op rechtsgevolg. Ingevolge de beslissing van 18 oktober 2004 staat immers vast dat het Uwv onder de omstandigheden die appellant aan zijn verzoek daartoe ten grondslag heeft gelegd niet bereid is om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Dat appellant in zijn verzoek geen exacte verhuisdatum heeft genoemd doet er niets aan af dat appellant een aanvraag heeft ingediend met het oog op een voorgenomen verhuizing naar het buitenland. Derhalve is de in het schrijven van 18 oktober 2004 neergelegde beslissing, mede gelet op artikel 1:3, tweede lid, van de Awb, naar het oordeel van de Raad gericht op rechtsgevolg en bij het bestreden besluit terecht appellabel geacht.

In het voorgaande ligt besloten dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte op de in die uitspraak gebezigde grond heeft vernietigd en het bezwaar van appellant bij de aangevallen uitspraak ten onrechte op de daartoe aangevoerde grond niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat het hoger beroep van appellant doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad ziet daarbij aanleiding om met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die appellant heeft gemaakt in hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 322,- als kosten van verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de rechtbank Utrecht;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de door appellant voor rechtsbijstand in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,-, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 103,- vergoedt.

Aldus gegeven door J. Janssen als voorzitter en J.W. Schuttel en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 november 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wajong | Wajong | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x