Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wajong
x
LJN:
x
AZ3918
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-12-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is er sprake van een bijzonder geval om de Wajong-uitkering eerder te laten ingaan dan één jaar vóór de datum van aanvraag?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/1859 WAJONG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 februari 2005, 04/835 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 december 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. B.W.M. Zegers, advocaat te Edam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2006. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Zegers voornoemd. Het Uwv heeft zich niet doen laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 24 april 2001 is aan appellant kenbaar gemaakt dat hij geen recht heeft op ziekengeld ingevolgde de Ziektewet omdat hij reeds bij aanvang van zijn verzekering op 5 februari 2001 arbeidsongeschikt was.

Op 21 juli 2003 heeft het Uwv een aanvraag inzake de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (hierna: Wajong) van appellant ontvangen en bij besluit van 23 september 2003 is met ingang van 21 juli 2002 aan appellant een uitkering ingevolge deze wet toegekend. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

Appellant is het niet eens met dit besluit omdat de ingangsdatum volgens hem moet zijn de dag dat hij 18 jaar werd, 16 augustus 2000. Secundair stelt hij zich op het standpunt dat zijn aanvraag ingevolge de Ziektewet had moeten worden aangemerkt als een aanvraag in het kader van de Wajong. Volgens hem is er in zijn geval sprake van bijzondere omstandigheden omdat hij niet op de hoogte was van de regelgeving en de door hem in de voorafgaande jaren bezochte instanties niet hebben gewezen op deze mogelijkheid.

Bij besluit van 26 maart 2004 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is appellant op 5 april 2001 door een verzekeringsarts geadviseerd om een aanvraag in te dienen in het kader van de Wajong. Omdat er tevens geen medische of psychiatrische redenen bestaan waardoor appellant geen uitkering kon aanvragen, is er volgens het Uwv geen sprake van een bijzondere omstandigheid.

De rechtbank deelt dit standpunt. Uit de eerder door appellant aangevraagde uitkeringen leidt de rechtbank af dat appellant zelf of met inschakeling van anderen in staat moet zijn geweest om zich te oriënteren op mogelijke aanspraken. Daarnaast acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat appellant op 5 april 2001 is geadviseerd om een Wajong-uitkering aan te vragen.

In hoger beroep ontkent appellant dat hij door het Uwv op of omstreeks 5 april 2001 is geïnformeerd over het aanvragen van een uitkering ingevolge de Wajong. Het had volgens appellant op de weg van het Uwv gelegen om hem hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen.

Het Uwv blijft zich op het standpunt stellen dat de verzekeringsarts ten tijde van de beoordeling van 5 april 2001 appellant daarvan op de hoogte heeft gesteld. Dit blijkt volgens het Uwv uit de aantekening op de medische kaart van 5 april 2001 waarop duidelijk vermeld wordt: “aanvraag Wajong geadviseerd”. Het enkele feit dat het advies mondeling is geschied, is volgens het Uwv onvoldoende om een bijzonder geval aan te nemen als bedoeld in art. 29, tweede lid, van de Wajong.

De Raad oordeelt als volgt.

Volgens artikel 29, eerste lid van de Wajong gaat een arbeidsongeschiktheidsuitkering in op de dag, met ingang waarvan een jonggehandicapte aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet. Niet in geschil is dat appellant vanwege zijn epilepsie arbeidsongeschikt is te achten in het kader van de Wajong. In afwijking van het eerste lid kan volgens het tweede lid de ingangsdatum van de uitkering maximaal 1 jaar voor de aanvraag liggen, tenzij sprake is van bijzondere gevallen.

De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat in dit geding geen sprake is van een bijzonder geval en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Volgens de rapportage van 26 augustus 2003 van verzekeringsarts A.A.M. Meeuse is er geen sprake van medische of psychiatrische redenen waarom appellant niet tijdig een uitkering kon aanvragen. Daarnaast is het volgens de Raad voldoende aannemelijk dat appellant op 5 april 2001 is geadviseerd om een Wajong-uitkering aan te vragen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 december 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A. van Netten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wajong | Wajong | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x