Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wajong
x
LJN:
x
AZ7597
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-01-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terugvordering Wajong-uitkering wegens inkomsten uit arbeid. Anticumulatie op grond van artikel 50 van de Wajong. Kon het betrokkene redelijkerwijs duidelijk zijn dat zijn inkomsten uit zijn arbeid als zelfstandig ondernemer zouden leiden tot een beperking van de uitbetaling van zijn uitkering? Had van het UWV mogen worden verwacht dat onmiddellijk na ontvangst van de jaarstukken een inschatting zou zijn gemaakt van de invloed die betrokkenes inkomsten op zijn uitkering zouden hebben?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/6726 WAJONG, 06/7079 WAJONG en 06/7090 WAJONG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 1 november 2004, 04/96 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 januari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.B. Meindersma, advocaat te Beverwijk, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere besluiten d.dis. 2 januari 2006 en 16 november 2006 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 15 december 2006. Voor appellant is zijn voornoemde gemachtigde verschenen. Verweerder was vertegenwoordigd door mr. C. Roele.




II. OVERWEGINGEN


Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.
Appellant ontving van het Uwv een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarnaast was hij werkzaam als zelfstandig ondernemer. Dit geding betreft de wijze waarop het Uwv via zijn besluitvorming appellants inkomsten uit die arbeid bij de Wajong uitkering van appellant over de jaren 1998 tot en met 2002 heeft betrokken.

Bij primair besluit van 3 april 2003 zijn de inkomsten over de jaren 1998 en 1999 via anticumulatie op grond van artikel 50 van de Wajong op de uitkering van appellant in mindering gebracht en is zijn uitkering per 1 januari 2000 herzien. Hetgeen op grond hiervan vanaf 1 januari 1998 onverschuldigd aan appellant is betaald is bij primair besluit van 13 oktober 2003 van hem teruggevorderd. Het betreft een bedrag van € 28.578,88.

Appellant heeft beroep doen instellen tegen het besluit van 2 december 2003 (besluit I), waarbij de bezwaren van appellant tegen de beide primaire besluiten ongegrond zijn verklaard.

Tijdens het geding in eerste aanleg heeft het Uwv een nieuw besluit d.d. 14 mei 2004 (besluit II) genomen. Bij dat besluit heeft het Uwv nader beslist omtrent de wijze waarop de inkomsten van appellant vanaf 1 januari 2000 op grond van het bepaalde in artikel 50 van de Wajong op de uitkering van appellant in mindering worden gebracht. Er is afgezien van een herziening van de uitkering.
Eveneens nog tijdens het geding in eerste aanleg, heeft het Uwv medegedeeld dat de uitkering over 1998 volledig wordt uitbetaald. Bij brief van 20 augustus 2004 heeft het Uwv voorts het bedrag dat van appellant wordt teruggevorderd verlaagd.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen besluit I niet-ontvankelijk verklaard (geen belang meer). Het beroep tegen besluit II is gegrond verklaard en dat besluit is vernietigd voor zover het betreft de anticumulatie over 1998 en de terugvordering. Het besluit is in stand gelaten voor zover het betrekking heeft op de wijze waarop artikel 50 van de Wajong over de jaren 1999 tot en met 2002 is toegepast.
De rechtbank heeft bepaald dat de Wajong uitkering over het jaar 1998 volledig aan appellant moet worden uitbetaald en voorts dat het Uwv een nieuw besluit dient te nemen ten aanzien van de bezwaren van appellant tegen het terugvorderingsbesluit.

Deels ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv tijdens het geding in hoger beroep een nieuw besluit d.d. 2 januari 2006 (besluit III) genomen op de bezwaren van appellant tegen de voornoemde primaire besluiten.
Dit besluit is door het Uwv vervolgens vervangen door het besluit van 16 november 2006 (besluit IV) en houdt het volgende in:
- over de jaren 1998 en 2002 wordt de Wajong uitkering van appellant volledig uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%;
- over de jaren 1999 tot en met 2001 wordt de Wajong uitkering met toepassing van artikel 50 van de Wajong uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%;
- van appellant wordt een bedrag ad € 8.435,62 teruggevorderd als zijnde onverschuldigd betaalde Wajong uitkering over de jaren 1999 tot en met 2001.

De Raad overweegt als volgt.

Het Uwv heeft in de uitspraak van de rechtbank berust en heeft bij besluiten van 2 januari 2006 (besluit III) en 16 november 2006 (besluit IV) andermaal beslist op de bezwaren van appellant tegen de primaire besluiten van 3 april 2003 en 13 oktober 2003.
Deze besluiten, die deels zijn genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, dienen op grond van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de onderhavige procedure te worden betrokken.

Nu appellant geen vergoeding van schade op grond van artikel 8:73 Awb heeft gevorderd en zijn bezwaren tegen die uitspraak en dat besluit aan de orde komen bij de beoordeling van besluit IV, heeft hij geen belang meer bij zijn hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak en bij een beoordeling van besluit III.
De Raad zal daarom het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaren, evenals zijn beroep tegen besluit III.

Ten aanzien van het beroep van appellant tegen besluit IV, zal de Raad zich beperken tot een beoordeling van de beide door appellant aangevoerde grieven. Voor het overige is namens appellant aangegeven dat appellant zich geheel kan vinden in de nadere beslissing van verweerder.

Appellant is in de eerste plaats van mening dat het hem niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zijn inkomsten (uit zijn arbeid als zelfstandig ondernemer) zouden leiden tot een beperking van de uitbetaling van zijn uitkering zoals nu door verweerder is beslist, zodat zijn uitkering niet met terugwerkende kracht onder toepassing van artikel 50 van de Wajong had mogen worden verlaagd.
Deze grief kan niet slagen. Zoals namens appellant ook is erkend, wist hij dat er een relatie was tussen zijn inkomsten en zijn uitkering. Dat appellant ten tijde van het ontvangen van zijn inkomsten niet wist wat het exacte gevolg zou zijn voor de uitbetaling van zijn uitkering is niet relevant. Van belang is dat hij redelijkerwijs kon weten dat deze inkomsten van invloed zouden kunnen zijn, zodat hij er rekening mee kon houden dat zijn uitkering later met terugwerkende kracht verlaagd zou worden.

Voorts heeft appellant gesteld, dat van het Uwv had mogen worden verwacht dat onmiddellijk na ontvangst van de jaarstukken een inschatting zou zijn gemaakt van de invloed die zijn inkomsten op zijn uitkering zouden hebben. Nu dat veel te laat is gebeurd, is terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en/of het rechtszekerheidsbeginsel, dan wel is sprake van een dringende reden om af te zien van terugvordering.
Ook deze grief slaagt niet. Op grond van artikel 55 van de Wajong is het Uwv verplicht om hetgeen onverschuldigd is betaald van appellant terug te vorderen. Voor zover hier van belang kan het Uwv indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Van een dringende reden, zoals bedoeld in het vierde lid van die bepaling, op grond waarvan het Uwv zou moeten afzien van terugvordering is de Raad niet gebleken. Blijkens de wetsgeschiedenis kunnen dringende redenen zoals bedoeld in artikel 55 van de Wajong slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor de betrokkene optreden. Er moet iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn wil een afwijking van de hoofdregel gerechtvaardigd zijn. De omstandigheden die door appellant in dit verband zijn aangevoerd, die betrekking hebben op het handelen van het Uwv in het verleden, zijn niet van een zodanige aard of een zodanig karakter, dat deze in dit verband als dringende reden zouden moeten worden aangemerkt.

Nu de grieven van appellant niet kunnen slagen, zal de Raad het inleidende beroep tegen het besluit van 16 november 2006 ongegrond verklaren.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Aangezien ook in hoger beroep een toezegging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand,dient dit bedrag te worden betaald aan de griffier van de Raad.
De gevorderde kosten van de werkzaamheden in het jaar 2004 van de administrateur van appellant ter hoogte van € 2.375,- exclusief BTW, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Nog daargelaten dat verweerder en de Raad pas ter zitting van de rekening hebben kunnen kennis nemen, hetgeen mede gelet op de aard van de gevorderde kosten op gespannen voet staat met de beginselen van een goede procesorde, dient vergoeding van de kosten te worden afgewezen nu deze onvoldoende zijn gespecificeerd, waardoor niet duidelijk is of de kosten zijn gemaakt in het kader van de procedure en zo ja op welke activiteiten de gemaakte kosten exact betrekking hebben.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 2 januari 2006 (besluit III) niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 16 november 2006 (besluit IV) ongegrond;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 102,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H Doornewaard als voorzitter, en I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wajong | Wajong | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x