Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wajong
x
LJN:
x
AZ9217
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-02-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering Wajong-uitkering op de grond dat betrokkene vanaf 3 maart 1956 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en in elk geval vanaf 21 augustus 2001 minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Is in voldoende mate met betrokkenes beperkingen rekening gehouden?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/6442 WAJONG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 oktober 2004, 03/2642 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 februari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M. Marbus-Hulshof, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 24 februari 2005 heeft het Uwv nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Marbus-Hulshof. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F.A. Put.




II. OVERWEGINGEN


Appellante, geboren op 3 oktober 1954, heeft op 22 augustus 2002 een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Desgevraagd heeft appellante aangegeven dat haar eerste arbeidsongeschiktheidsdag is gelegen op 3 maart 1956.

Bij besluit van 20 februari 2003 heeft het Uwv geweigerd om aan appellante een uitkering ingevolge de Wajong toe te kennen om reden dat appellante vanaf 3 maart 1956 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en in elk geval vanaf 21 augustus 2001 minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 september 2003 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft appellantes beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geconstateerd dat het Uwv geen functies heeft geduid per 3 oktober 1972, de datum waarop appellante de wachttijd van 52 weken had volbracht, zodat de verdiencapaciteit van appellante per die datum niet is berekend. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat voor zover aangenomen zou moeten worden dat appellante op haar achttiende verjaardag tenminste 25% arbeidsongeschikt was en zij op grond van het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de Wajong recht had op een Wajong-uitkering, zij het recht op deze uitkering niet eerder kan effectueren dan één jaar voor de dag waarop zij haar aanvraag om toekenning van een uitkering heeft ingediend. Om die reden dient - aldus de rechtbank - te worden beoordeeld of appellante één jaar voor de indiening van haar aanvraag, te weten 22 augustus 2001, ten minste 25% arbeidsongeschikt was in de zin van de Wajong. Die vraag is door de rechtbank ontkennend beantwoord. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat het besluit omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante niet op een ontoereikende dan wel onjuiste medische grondslag berust. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overwogen dat de belasting die voorkomt in de aan de schatting ten grondslag liggende functies in overeenstemming is met de voor appellante vastgestelde beperkingen. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat aangenomen kan worden dat de op 10 februari 2003 geselecteerde functies per 22 augustus 2001 eenzelfde belastbaarheid vereisten en dat zij op die datum in een voldoende aantal op de arbeidsmarkt voorkwamen.

Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat zowel per 22 augustus 2001 als per datum einde wachttijd (3 oktober 1972) in onvoldoende mate met haar beperkingen rekening is gehouden, althans dat er aanleiding is om het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts per die data in twijfel te trekken. Voorts heeft appellante de vraag opgeworpen of van haar wel mag worden verwacht bewijs - anders dan de door haar reeds overgelegde verklaring van haar moeder - te leveren van haar beperkingen per einde wachttijd. Nadien heeft appellante nog een aantal verklaringen van (para)medici overgelegd.

Het Uwv heeft in het verweerschrift aangegeven dat het medisch en arbeidskundig onderzoek in casu primair dient te zijn gericht op de datum 3 oktober 1972 en dat de rechtbank terecht heeft geconstateerd dat een arbeidskundig onderzoek per die datum nog niet heeft plaatsgevonden. Bij de in rubriek I genoemde brief van 24 februari 2005 heeft het Uwv de resultaten van het alsnog uitgevoerde arbeidskundig onderzoek overgelegd.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet ontoereikend of onjuist is. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts M.C.H. van Didden appellante vanwege de onduidelijkheid met betrekking tot de diagnose heeft laten onderzoeken door orthopedisch chirurg A.J.J. Marissen. Marissen heeft in zijn rapport van 2 december 2002 geconcludeerd dat appellante niet geschikt is voor matig tot zwaar nek-, rug- en schouderbelastende arbeid. In antwoord op een nadere vraag van Van Didden heeft Marissen aangegeven dat appellante die beperkingen al haar “hele leven” heeft. Van Didden heeft de voor appellante geldende beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst, met daarop de opmerking dat deze gelden vanaf het achttiende jaar. Het Uwv heeft in hoger beroep aangegeven dat dit moet zijn vanaf het zeventiende jaar. De Raad is van oordeel dat appellante er niet in is geslaagd twijfel te zaaien aan de juistheid van de aangenomen beperkingen. De door appellante in bezwaar overgelegde brieven van 27 november 2001 en 29 november 2002 van H. Schenk, als arts verbonden aan Asclepius Advies, zien - zoals ook het Uwv terecht heeft opgemerkt - niet op de gezondheidstoestand van appellante in de jaren 1971 en 1972. Met betrekking tot de namens appellante in hoger beroep overgelegde verklaringen is de Raad van oordeel dat - voor zover deze verklaringen van (para-)medici zich al uitspreken over de beperkingen van appellante op 17 dan wel 18 jarige leeftijd - deze oordelen niet met objectief medische gegevens zijn onderbouwd. Voor wat betreft de bewijsrechtelijke problemen waarin appellante stelt te verkeren, is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht heeft gewezen op de vaste jurisprudentie van de Raad inzake aanvragen die zien op een datum gelegen in een (ver) verleden, welke inhoudt dat de bewijsrechtelijke problemen voor risico en rekening van appellante komen.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat het Uwv in het in hoger beroep ingediende verweerschrift heeft benadrukt dat het medisch en arbeidskundig onderzoek in de eerste plaats dient te zijn gericht op de datum 3 oktober 1972 en dat een arbeidskundig onderzoek dienaangaande nog niet heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de Raad leidt dit tot de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en om die reden niet in stand kan blijven. Aangezien bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit in stand is gelaten, dient de aangevallen uitspraak eveneens te worden vernietigd.

De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat het Uwv in hoger beroep alsnog een arbeidskundig onderzoek heeft uitgevoerd naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 3 oktober 1972. De conclusie van dit onderzoek door bezwaararbeidsdeskundige J. den Hartog is dat appellante in 1972 niet als arbeidsongeschikt in de zin van de Wajong kan worden aangemerkt. De Raad is van oordeel dat Den Hartog in zijn rapportage van 24 februari 2005 voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellante per 3 oktober 1972 in staat was om met soortgelijke functies als de aanvankelijk aan haar per augustus 2001 geduide functies minimaal het minimumloon te verdienen, zodat indeling in de klasse minder dan 25% terecht is.

Gelet op het vorenstaande kan een beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 augustus 2001 achterwege blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg, op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 6,14 voor reiskosten in hoger beroep, in totaal € 1.294,14. De Raad merkt hierbij op dat het op het zogenoemde formulier proceskosten door appellante vermelde bedrag aan reiskosten slechts kan worden toegewezen tot voormeld bedrag dat, overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht en het Besluit tarieven in strafzaken 2003, is vastgesteld ter hoogte van de kosten van openbaar vervoer, laagste klasse.
Met betrekking tot de vordering van de kosten van € 35,80 voor het uitgebrachte rapport van de huisarts C. Dirks is de Raad van oordeel dat deze vordering voor toewijzing in aanmerking komt.
Aangezien zowel in beroep als in hoger beroep een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand is verleend, dient het bedrag van de (proces-) kosten te worden betaald aan de griffier van de Raad.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en
vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en hoger beroep tot een bedrag groot € 1.329,94, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wajong | Wajong | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x