Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wajong
x
LJN:
x
BA2295
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-04-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking Wajong-uitkering omdat betrokkene met ingang van de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Is er aanleiding voor het aannemen van een urenbeperking?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 06/5684 WAJONG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 september 2006, 06/1040 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 april 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.L. van Os, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld en daarbij onder andere overgelegd een rapportage medisch reďntegratieonderzoek van 25 juli 2006 van Argonaut Advies B.V. te Eindhoven.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij overgelegd een rapport van de bezwaarverzekeringsarts L.T.M. Lenders van 30 oktober 2006.

Het Uwv heeft voorts op 20 december 2006 de Functionele Mogelijkheden Lijst van 4 mei 2004 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2007.
Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.P.J. Derksen.




II. OVERWEGINGEN


Appellante was HBO-studente pedagogiek toen zij op 21 december 1996 uitviel met klachten van acute hoofdpijn en neurologische uitval als gevolg van een cerebrovasculair accident (CVA). Bij besluit van 15 oktober 1998 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv appellante, na afloop van de wettelijke wachttijd, met ingang van 19 december 1997 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van de beoordeling van de aanvraag van appellante om voortzetting van haar Wajong-uitkering heeft de verzekeringsarts M.A. Götze op 27 mei 2003 een expertise aangevraagd bij de neuropsycholoog L. Vanbrabant. Van dit op 11 en 12 augustus 2002 verrichte onderzoek bracht Vanbrabant op 14 augustus 2003 rapport uit. Zijn onderzoek wees uit dat de intelligentie van appellante gemiddeld tot bovengemiddeld was, dat het lange termijngeheugen onvoldoende en het korte termijngeheugen ruim voldoende functioneerde wat betreft omvang en belastbaarheid, dat het basaal mentaal tempo niet afwijkend was en dat de planning matig was. Vanbrabant concludeerde dat bij appellante sprake was van visuele velddefecten en dat zij cognitief beperkt was ten aanzien van snel rekenen, opname en herinnering van nieuwe informatie, flexibiliteit en afleidbaarheid voor sterke, dwingende automatismen. Volgens Vanbrabant zijn deze geobjectiveerde beperkingen van blijvende aard. Blijkens haar rapport van 5 december 2003 nam Götze de door Vanbrabant geformuleerde beperkingen over in de door haar opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens legde Götze bij brief van 26 februari 2004 door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies voor aan Vanbrabant, die op 1 maart 2004 aangaf dat alleen de functie inpakker niet de door hem geformuleerde beperkingen had. Na enige discussie over en weer via de e-mail heeft Götze blijkens haar rapport van 4 mei 2004 de eerder gestelde beperkingen van appellante verder verfijnd of aangepast, hetgeen zij neerlegde in de (Kritische) FML van dezelfde datum. Op basis hiervan en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 6 mei 2004 selecteerde de arbeidsdeskundige F. van Alphen blijkens zijn rapport van 26 mei 2004 een aantal functies en berekende hij dat er, uitgaande van de middelste van de drie hoogst belonende functies, geen sprake was van een verlies aan verdienvermogen. Vervolgens nam het Uwv het primaire besluit van 3 juni 2004, waarbij de Wajong-uitkering van appellante met ingang van 28 juli 2004 werd ingetrokken.

In de bezwaarprocedure kreeg de in rubriek I van deze uitspraak vermelde bezwaarverzekeringsarts Lenders de beschikking over informatie van 2 december 2004 van de appellante behandelend oogarts. Volgens Lenders in haar rapport van 14 december 2004 bleken de beperkingen, vastgesteld bij het laatst verrichte gezichtsveldenonderzoek in 1999, niet aannemelijk ernstig beperkend in het dagelijks functioneren. Voorts vermeldde Lenders dat er bij het onderzoek van Götze geen geheugenstoornissen of beperkingen in aandacht en concentratie werden geobjectiveerd en dat hiervan ook geen sprake was op de hoorzitting van 20 oktober 2004. Lenders was van oordeel dat met de door Götze opgestelde FML in ruim voldoende mate rekening was gehouden met de objectiveerbare klachten van appellante en Lenders zag ook geen aanleiding voor een urenbeperking. Na ook arbeidskundige heroverweging, waarbij de conclusie van Van Alphen werd gevolgd, verklaarde het Uwv bij besluit van 27 december 2004 het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond.

De rechtbank verklaarde bij haar uitspraak van 24 augustus 2005, 05/119, het beroep van appellante gegrond, vernietigde het besluit van 27 december 2004 en droeg het Uwv op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Tevens gaf zij beslissingen inzake vergoeding aan appellante van griffierecht en proceskosten.
De rechtbank onderschreef de medische grondslag van het besluit van 27 december 2004, in het bijzonder ook het standpunt van het Uwv inzake het niet aannemen van een urenbeperking. De rechtbank overwoog voorts dat zij onvoldoende overtuigd was van de geschiktheid van appellante voor de geduide functies van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie, papierwarenmaker/dozenmaker/kartonnagebewerker en samensteller metaalwaren, en heeft daarbij van belang geacht dat niet inzichtelijk was welke functies precies ter beoordeling aan Vanbrabant - die daarvoor in opdracht van het Uwv een neuropsychologische expertise heeft verricht - zijn voorgelegd, en welke functies derhalve door Vanbrabant voor appellante niet passend zijn geacht. Gelet hierop oordeelde de rechtbank het besluit van 27 december 2004 in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Naar aanleiding van deze uitspraak is vanwege het Uwv de hiervoor vermelde arbeidsmogelijkhedenlijst van 6 mei 2004 aan Vanbrabant voorgelegd, die op 30 november 2005 berichtte dat functies uit een vijftal SBC-codes, gelet op de door hem geformuleerde beperkingen, door appellante konden worden verricht. Hierbij sloot de bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans zich aan in zijn rapport van 6 december 2005. Op basis van een en ander stelde de bezwaararbeidsdeskundige R.E.T. Peters in zijn rapport van 5 janauri 2006 vast dat aan de schatting ten grondslag konden worden gelegd de functies hulpmedewerker bakkerij (SBC-code 111172), samensteller (SBC-code 264140) en kartonnagebewerker (SBC-code 111174) en dat er alsdan ook geen sprake was van een verlies aan verdienvermogen. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 25 januari 2006 het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit wederom ongegrond.

In beroep tegen het besluit van 25 januari 2006 (hierna: het bestreden besluit) bepleitte de gemachtigde van appellante dat de geduide functies alleen kunnen worden verricht met inachtneming van een ook door de behandelend sector onderschreven urenbeperking. In reactie hierop stelde Offermans in een rapport van 29 maart 2006 dat uit het dossier niet is gebleken dat volgens de behandelend sector een urenbeperking zou moeten worden vastgesteld.

In de aangevallen uitspraak oordeelde de rechtbank dat zij op 24 augustus 2005 reeds had geoordeeld dat de verzekeringsartsen niet te geringe beperkingen bij appellante hadden vastgesteld en dat zij geen aanleiding zag daarover thans anders te oordelen, waarvoor zij naar die uitspraak van 24 augustus 2005 verwees. Voorts overwoog de rechtbank thans, gezien het aanvullend commentaar van Vanbrabant, voldoende overtuigd te zijn van de geschiktheid van appellante voor de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies en zij volgde appellante niet in haar grief dat thans aan Vanbrabant dezelfde arbeidsmogelijkhedenlijst is voorgelegd als bij de vorige beoordeling en dat ook het bestreden besluit op dezelfde functies berust als bij die beoordeling.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen standpunten in essentie herhaald. In het bijzonder betoogde de gemachtigde dat niet is gebleken dat Vanbrabant daadwerkelijk heeft ingestemd met de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies en een urenbeperking niet noodzakelijk vond. Daarbij wees de gemachtigde wat betreft de urenbeperking op de in rubriek I van deze uitspraak vermelde rapportage medisch reďntegratieonderzoek van 25 juli 2006, waarin werd geconcludeerd tot een urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week.

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat de rechtbank in haar meergenoemde uitspraak van 24 augustus 2005 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud de vaststelling door het Uwv van de voor appellante geldende medische beperkingen heeft onderschreven. Tegen die uitspraak heeft appellante geen hoger beroep ingesteld. In zoverre staat dit rechterlijk oordeel derhalve vast. Dit neemt echter niet weg dat na deze uitspraak opgekomen feiten en omstandigheden, die een nieuw licht werpen op de gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding, in een latere beoordeling van de bestuursrechter kunnen worden betrokken. Met betrekking tot de door de gemachtigde van appellante in hoger beroep overgelegde rapportage medisch reďntegratieonderzoek concludeert de Raad dat deze rapportage op zichzelf een nieuw, want een zich na de uitspraak van 24 mei 2005 voorgedaan hebbend, feit is, maar geen ander licht werpt op de gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding. De Raad neemt daarbij in aanmerking de reactie op deze rapportage van Lenders, die op 30 oktober 2006 stelde dat in dit rapport na een uiterst beperkte anamnese, een zeer summiere algemene indruk, geen lichamelijk onderzoek en slechts een oriënterend psychisch onderzoek waarvan de bevindingen niet verder zijn beschreven, zonder nadere motivering of onderbouwing tot een urenbeperking werd geconcludeerd. De grief van appellante dat niet duidelijk is geworden of Vanbrabant heeft ingestemd met de bij de voorbereiding van het bestreden besluit aan hem voorgelegde functies volgt de Raad niet, gelet op hetgeen de rechtbank ter zake van het oordeel van Vanbrabant over die functies heeft overwogen en waarmee de Raad volledig instemt.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 april 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wajong | Wajong | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x