Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wajong
x
LJN:
x
BA2760
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-03-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking Wajong-uitkering omdat betrokkene met ingang van de datum in geding minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Is de brief van een medewerker van de ambulante dienst als bezwaarschrift aan te merken?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 06/3504 WAJONG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 mei 2006, 05/2956 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 maart 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. H. Cornelis, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2007. Voor appellant is zijn voornoemde gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. J. Kouveld.




II. OVERWEGINGEN


Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

Bij primair besluit van 25 april 2005 heeft het Uwv besloten de uitkering uit hoofde van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) van appellant per 26 juni 2005 in te trekken, omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 25%.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit, is bij besluit van 2 september 2005 (het bestreden besluit) door het Uwv niet-ontvankelijk verklaard. Naar het oordeel van het Uwv heeft appellant te laat, dat wil zeggen niet vóór 6 juni 2005, bezwaar gemaakt en is niet gebleken van redenen om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat het op 26 mei 2005 gedateerde bezwaarschrift dat namens appellant door zijn bewindvoerder is ingediend, niet-aangetekend is verzonden, en dat het feit dat dit buiten de bezwaartermijn door het Uwv is ontvangen daarom voor risico van appellant dient te blijven, terwijl geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar zou moeten worden geacht.

Het hoger beroep richt zich niet tegen de motivering van het bestreden besluit en van de aangevallen uitspraak. Appellant is om andere redenen van oordeel dat zijn bezwaar ten onrechte door het Uwv niet-ontvankelijk is verklaard.
Van de zijde van appellant is een briefje d.d. 30 mei 2005 overgelegd, van mw. Anita Balfoort, verbonden aan de Ambulante Dienst Utrecht, gericht aan dhr. J. van Oostwaard, de medewerker van de afdeling van het Uwv die het primaire besluit aan appellant heeft verzonden, en wiens naam in de kop van die brief wordt genoemd. De brief is pas nadat de aangevallen uitspraak is gedaan, door de gemachtigde van appellant in een ander dossier gevonden. De tekst van het briefje luidt als volgt:
“Bij deze aanvullende informatie die relevant is voor de herkeuring. Graag zouden wij willen dat dit alsnog wordt bekeken en in dossier van [appellant] geb [in]78 wordt gedaan”.
Namens appellant is aangevoerd dat deze brief door het Uwv als bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 25 april 2005 had moeten worden aangemerkt, dan wel dat het op de weg van het Uwv had gelegen om nadere informatie in te winnen. In het laatste geval was duidelijk geworden dat het wel de bedoeling was van appellant om bezwaar te maken.
Derhalve is naar de mening van appellant wel tijdig bezwaar gemaakt.

Het Uwv heeft aangevoerd dat de brief van 30 mei 2005 niet als bezwaarschrift is aangemerkt, en er ook geen reden is om het als zodanig te kwalificeren. Uit de tekst van de brief blijkt niet dat het als bezwaarschrift is bedoeld, de brief bezit niet de kenmerken van een bezwaarschrift en de brief is niet afkomstig van appellant of zijn gemachtigde.

De Raad oordeelt als volgt.

Zoals ook door de gemachtigde van appellant ter zitting is erkend, was de meergenoemde brief van 30 mei 2005 niet bedoeld als bezwaarschrift in de zin van de artikelen 6:4 juncto 1:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Met deze brief is door mw. Balfoort waarschijnlijk voor de zekerheid een medisch rapport ook aan het Uwv gezonden, en heeft zij het gemakshalve gericht aan de medewerker die met name is genoemd in de kop van het primaire besluit. Het betreffende rapport heeft mw. Balfoort ook aan de bewindvoerder van appellant gestuurd, dhr. T.L.W.M. Litjens, waarbij zij er van uit ging dhr. Litjens tijdig bezwaar zou maken.

Naar het oordeel van de Raad had het Uwv de genoemde brief ook niet als een mogelijk bezwaarschrift in behandeling hoeven nemen, nu uit de tekst van de brief op geen enkele wijze blijkt dat daarmee bedoeld is aan het Uwv kenbaar te maken dat appellant het niet eens is met het primaire besluit van 25 april 2005. Het primaire besluit is niet genoemd of bijgevoegd en de termen bezwaar of beroep worden niet vermeld, noch worden vergelijkbare aanduidingen gebruikt waaruit kan worden afgeleid dat appellant zich niet met het besluit kan verenigen.
Naar het oordeel van de Raad is het enkele gebruik van het woord “herkeuring” in dit verband onvoldoende, nu een herkeuring ook los van een eventueel bezwaar kan worden gevraagd. Eveneens onvoldoende acht de Raad dat de brief door het Uwv binnen de lopende bezwaartermijn is ontvangen.

De brief van 26 mei 2005 van de bewindvoerder van appellant was wel bedoeld als bezwaarschrift en is als zodanig ook door het Uwv in behandeling genomen. Dit besluit is echter onverschoonbaar te laat ingediend bij verweerder.

Uit het vorenstaande volgt dat door appellant niet tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 25 april 2005, zodat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.
Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, en J. Riphagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.J. Janssen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wajong | Wajong | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x