Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wajong
x
LJN:
x
BA5088
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-05-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking Wajong-uitkering met ingang van de datum in geding, op de grond dat de arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 25%. Stelt betrokkene terecht dat hij nimmer een normale keuring heeft ondergaan en dat het verrichten van de werkzaamheden die zijn verbonden aan de in aanmerking genomen functies voor hem totaal onmogelijk moet worden geacht vanwege zijn heupproblematiek?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/1285 WAJONG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2005, 04/679 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 8 juli 2003 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 september 2003 ingetrokken, op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van appellant was afgenomen naar minder dan 25%.

Bij besluit van 25 maart 2004, hierna het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 juli 2003 gegrond verklaard en de datum van intrekking van de uitkering nader bepaald op 30 maart 2004.

De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat geen aanleiding bestaat om aan het oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv te twijfelen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat blijkens door de behandelend orthopedisch chirurg op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts bij brief van 11 december 2003 verstrekte informatie, bij appellant thans sprake is van een vlot looppatroon, dat het voor de operatie bestaande forse beenlengteverschil is terug gebracht tot minder dan 1 centimeter, ten nadele van links, dat appellant thans geen relevante klachten heeft en dat de röntgenfoto’s een onveranderd gunstig beeld vertonen. Wat betreft appellants belastbaarheid is volgens de behandelend orthopedisch chirurg normale werkbelasting volledig verantwoord. Hij ziet geen bezwaar bij veel lopen, traplopen en tillen.

Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de voor appellant bij de onderhavige schatting als passende arbeidsmogelijkheden in aanmerking genomen functies. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder gelet op de in de rapportage van 18 november 2004 gegeven onderbouwing met betrekking tot de medische geschiktheid van die functies. Gelet op het feit dat het Uwv pas gedurende de procedure in beroep een toereikende motivering heeft gegeven, heeft de rechtbank aanleiding gezien om het bestreden besluit te vernietigen, zij het onder het in stand laten van de rechtsgevolgen daarvan met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het hoger beroep van appellant moet worden geacht uitsluitend te zijn gericht tegen het in stand laten door de rechtbank van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

Appellant houdt in hoger beroep staande dat hij nimmer een normale keuring heeft ondergaan en dat het verrichten van de werkzaamheden die zijn verbonden aan de in aanmerking genomen functies voor hem totaal onmogelijk moet worden geacht vanwege zijn heupproblematiek.

De Raad stelt vast dat hetgeen appellant aldus in hoger beroep aanvoert slechts een herhaling is, wederom niet voorzien van enige medische onderbouwing, van hetgeen hij reeds in eerdere stadia van de procedure heeft aangevoerd.

De Raad ziet daarin geen aanleiding gelegen voor een ander oordeel dan het oordeel waartoe de rechtbank is gekomen. De Raad kan zich volledig in dat oordeel vinden, zomede in de overwegingen waarop dat is gebaseerd. De Raad voegt daaraan nog slechts toe dat de beschikbare medische gegevens - de verzekeringsgeneeskundige gegevens alsmede de gegevens afkomstig van de behandelend sector - uitwijzen dat de operatie die appellant in 1999 heeft ondergaan in verband met zijn aangeboren heupafwijking - een totale heuparthroplastiek links - succesvol is geweest en dat hij sindsdien, ook volgens eigen zeggen, in het dagelijks leven nauwelijks meer enige hinder ondervindt. Met name is de pijn die hij voorafgaand aan de operatie had vrijwel geheel verdwenen. Aan de rechterzijde - waarover appellant ook klaagt - is, naar wordt aangegeven door de primaire verzekeringsarts, slechts sprake van een lichte drukpijn.

Ook de Raad kan derhalve appellant niet volgen in de opvatting dat er geen zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden en dat zijn beperkingen zijn onderschat. Gegeven aldus de juistheid van de in aanmerking genomen beperkingen, heeft de Raad voorts geen grond om de bij de schatting gebruikte functies aan te merken als liggend buiten het bereik van appellant.

De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wajong | Wajong | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x