Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wajong
x
LJN:
x
BA6260
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-06-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering Wajong-uitkering omdat betrokkene minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de adviezen van de verzekeringsartsen zorgvuldig tot stand zijn gekomen en in overeenstemming zijn met de bepalingen van het Schattingsbesluit, met name waar het erom gaat of er sprake is van geen duurzaam benutbare mogelijkheden?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/6486 WAJONG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 20 oktober 2004, 04-529 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 juni 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift met 2 aanvullingen daarop ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2007. Appellant is in persoon verschenen en werd bijgestaan door zijn vader L. Bogards. Voor het Uwv is verschenen E.C. van der Meer.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 9 maart 2004 is ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen het besluit van 1 september 2003 waarbij is afgewezen appellants aanvraag om aan hem per 1 oktober 2002 een Wajong-uitkering toe te kennen; daartoe heeft het Uwv overwogen dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedraagt.

Bij de aangevallen uitspraak is appellants beroep tegen het besluit van 9 maart 2004 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft appellants grieven - die uitsluitend zijn gericht tegen de aan de evenvermelde besluiten ten grondslag gelegde adviezen van de verzekeringsartsen - verworpen onder overweging dat er geen grond is voor het oordeel dat die adviezen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen of niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van het Schattingsbesluit, met name waar het er om gaat of er sprake is van geen duurzaam benutbare mogelijkheden, terwijl er geen concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van die adviezen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellant in beroep geen medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de verzekeringsartsen zijn beperkingen hebben onderschat en dat zijn stelling dat de primaire verzekeringsarts zijn aandoening niet heeft erkend, feitelijke grondslag mist, daar die arts in verband met appellants darmklachten beperkingen heeft aangenomen.

In zijn hoger beroepschrift heeft appellant aangevoerd dat, anders dan de rechtbank kennelijk meent, er wel degelijk sprake is van psychische klachten waarvoor hij juist onder behandeling van een psychiater is. Voorts is appellant van mening dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek wl onvolledig en onzorgvuldig is geweest, immers, het resultaat van (het thans lopende) specialistisch medisch en psychologisch onderzoek was nodig geweest om tot een zorgvuldige diagnose te kunnen komen. Tevens is het recht van hoor en wederhoor geschonden doordat het Uwv niet ter zitting van de rechtbank is verschenen en appellant niet in de gelegenheid is geweest de verzekeringsgeneeskundige rapporten te betwisten in het bijzijn van de betrokken verzekeringsarts(en).
Ter zitting van de Raad heeft appellant nog verduidelijkt dat hij medisch aanmerkelijk meer is beperkt dan door de verzekeringsarts is vastgesteld en door de bezwaarverzekeringsarts is bevestigd.

De Raad overweegt als volgt.

Het hoger beroep is evenzeer geheel toegespitst op de medische kant van de zaak.
Gelet op de medische gegevens die aan de rechtbank ten dienste hebben gestaan, kan de Raad zich vinden in het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank en de daarin vermelde overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid.
Voor het trekken van de conclusie dat het medisch onderzoek vanwege het Uwv niet zorgvuldig genoeg is geweest, bevatten de gedingstukken geen enkele concrete aanwijzing. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de bezwaarfase nog gegevens opgevraagd bij en gekregen van de appellant behandelend internist, maar daarin geen aanleiding gezien tot bijstelling van de bevindingen van de primaire verzekeringsarts.
Het Uwv was niet verplicht ter zitting van de rechtbank te verschijnen noch om, als het wel was verschenen, de primaire verzekeringsarts af te vaardigen. Het Uwv heeft de goede gewoonte ter zitting van de rechtbank of de Raad te verschijnen, maar pleegt dan niet te zijn vertegenwoordigd door een (bezwaar)verzekeringsarts. De verzekeringsgeneeskundige bevindingen zijn neergelegd in rapporten waarover appellant de beschikking had, zodat hij daarop in beroep en in hoger beroep heeft kunnen reageren. Appellant heeft voldoende gelegenheid gehad om te proberen zijn grieven van medische aard met medische verklaringen te onderbouwen. Dat hij niet heeft geweten dat het op zijn weg had gelegen om dat te doen, moet voor zijn rekening en risico worden gelaten. Dat de rechtbank zich heeft beperkt tot de fysieke aspecten is een gevolg van het feit dat appellant blijkens het proces-verbaal van de rechtbankzitting uitdrukkelijk heeft gesteld dat zijn klachten niet psychosociaal van aard zijn en dat een afspraak staat gepland met een psychiater om aan te tonen dat zijn klachten enkel fysiek van aard zijn.
Niet ten onrechte heeft de rechtbank geen aanleiding gezien appellants verzoek om een onderzoek door een onafhankelijke medische specialist te doen instellen in te willigen.
Maar (ook) in hoger beroep heeft appellant geen medische of andere gegevens ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is dan wel ter onderbouwing van zijn overige grieven overgelegd. De Raad ziet bij de huidige stand van de gegevens evenmin aanleiding voor een onderzoek door een onafhankelijke medisch specialist.

Ook overigens is de Raad niet kunnen blijken dat de medische en arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit de toets der aan te leggen kritiek niet kan doorstaan.

Het hoger beroep slaagt dan ook niet en bijgevolg dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wajong | Wajong | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x