Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wajong
x
LJN:
x
BA7135
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-06-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Onterechte weigering Wajong-uitkering. Het enkele feit dat betrokkene, die aan schizofrenie lijdt, zijn gymnasiumopleiding heeft voltooid, is mede gelet op de vele incidenten en gebeurtenissen zoals die uit de gedingstukken naar voren komen, onvoldoende aanleiding om geen arbeidsongeschiktheid aan te nemen ten tijde van de 17de verjaardag van betrokkene.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/5076 WAJONG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 juli 2005, 04/574 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 8 juni 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr J. Hemelaar, advocaat te Zoetermeer, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van der Bent. Betrokkene is, zoals tevoren schriftelijk is aangekondigd, niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Betrokkene heeft medio 2003 een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Als reden voor deze aanvraag heeft betrokkene aangegeven dat hij last heeft van waangedachten en stemmingsstoornissen.

In het kader van zijn aanvraag is betrokkene onderzocht door verzekeringsarts W.F. Groen. Deze stelt vast dat in verband met de opname van betrokkene op 15 april 1997, de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op (enigszins arbitrair) deze datum moet worden gesteld. Nu betrokkene zijn gymnasiumdiploma met een doublure in de derde klas met succes in juli 1996 heeft afgerond en tijdens zijn schooltijd tot aan zijn eerste psychotische decompensatie geen evidente psychische klachten heeft gekend, is deze arts van mening dat betrokkene op zijn 17e verjaardag - op 28 juli 1994 - niet arbeidsongeschikt moet worden beschouwd voor de Wajong.

In lijn met voornoemd standpunt is bij besluit van 20 augustus 2003 de aanvraag om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering, afgewezen.

In bezwaar wordt door betrokkene, ter staving van zijn standpunt dat hij reeds tijdens zijn middelbare schooltijd duurzaam extreem afwijkend gedrag vertoonde en reeds toen al arbeidsongeschikt was, een tweetal brieven van de middelbare school overgelegd, waarvan één is geschreven door de conrector van de school. De conrector geeft in zijn brief van 18 december 2003 aan dat het spijtig is dat de omstandigheden van dien aard waren dat de school de pathologische component in zijn gedrag niet heeft onderkend.

Bezwaarverzekeringsarts L. Th. Schonagen, heeft in zijn rapporten van 12 december 2003 en 8 januari 2004 het standpunt van verzekeringsarts Groen onderschreven. Mede gelet op het feit dat betrokkene na een doublure in de derde klas het gymnasiumdiploma heeft gehaald en in de periode nadien met anderen heeft gefunctioneerd, is deze arts van mening dat het zeer twijfelachtig is dat betrokkene toen ongeschikt zou zijn voor alle soorten arbeid.

Bij besluit van 8 januari 2004 is het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep heeft betrokkene zijn grieven herhaald. Benadrukt is dat het voortschrijdende karakter van de ziekte waaraan betrokkene lijdt, onvoldoende is meegewogen. Met name is aangegeven dat betrokkene reeds tijdens zijn middelbare schooltijd gedragingen vertoonde die buitensporig en inacceptabel waren. Mede dankzij de tolerantie van de middelbare school, het feit dat betrokkene een bijzonder talent voor talen had en bij vlagen geniaal was, en de omstandigheid dat hij uit een “warm” gezin kwam, is betrokkene in staat geweest zijn gymnasiumdiploma te halen. Door betrokkene wordt betwist dat eerst sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid op 15 april 1997 bij zijn eerste opname wegens een psychose. Namens betrokkene wordt aangegeven dat aan een eerste acute psychose immer een voortraject voorafgaat waarin de symptomen van de stoornis het behoorlijk functioneren onmogelijk maakt. Aangevoerd wordt dat hij op zijn 17e verjaardag reeds arbeidsongeschikt was in de zin van de Wajong.

Gelet op de standpunten van partijen heeft de rechtbank aanleiding gezien betrokkene te laten onderzoeken door psychiater J.M. Oolders. Deze deskundige heeft in zijn rapport van 1 november 2004 aan de rechtbank, het geheel overziende, geoordeeld dat bij betrokkene sprake is van schizofrenie, het paranoïde type. Reeds tijdens de middelbare schooltijd (vanaf de derde klas) is volgens de deskundige sprake van een duidelijke knik in de levensloop van betrokkene, waardoor er sprake is van psychotische symptomen sedert 1992 en in hevige mate in 1994. Op zijn 17e verjaardag was er bij betrokkene al sprake van ziekte of gebrek. Tevens geeft de deskundige aan dat deze ongeschiktheid nog steeds voortduurt vanwege het chronische karakter van de schizofrenie. Op grond hiervan moet betrokkene ongeschikt worden geacht ten tijde dat hij 17 werd en kan deze deskundige zich niet verenigen met de belastbaarheid zoals is opgesteld door de (bezwaar)verzekeringsarts.

De rechtbank heeft het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige gevolgd en heeft het beroep vervolgens gegrond verklaard.

Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen en heeft gemotiveerd aangegeven waarom het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts moet worden gevolgd.

De Raad overweegt als volgt.

In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken.
Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de diagnose en conclusies van de door de rechtbank ingeschakelde psychiater Oolders zijn gebaseerd op uitvoerig eigen onderzoek en bestudering van de in het dossier aanwezige stukken, waaronder de brieven van de middelbare school van betrokkene alsmede hetgeen namens hem is aangevoerd. De Raad volgt de diagnose en de conclusies van de deskundige, die er toe leiden dat betrokkene op de dag dat hij 17 jaar werd, leed (en thans nog lijdt) aan de ziekte schizofrenie en dat hij zich niet kan verenigen met de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid. Ook kan de Raad zich vinden in het oordeel dat gelet op de levensloop van betrokkene en de daarin voorkomende gebeurtenissen alsmede het sluimerende verloop van de ziekte, sedert 1992 reeds sprake was van psychotische symptomen die uiteindelijke medio april 1997 hebben geleid tot een psychose waarvoor opname noodzakelijk was. Het enkele feit dat betrokkene zijn gymnasiumopleiding heeft voltooid, is mede gelet op de vele incidenten en gebeurtenissen zoals die uit de gedingstukken naar voren komen, onvoldoende aanleiding om geen arbeidsongeschiktheid aan te nemen ten tijde van de 17e verjaardag van betrokkene.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat mitsdien de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.

Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant een griffierecht van € 428,-- dient te worden geheven.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak,
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 428,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wajong | Wajong | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x