Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wajong
x
LJN:
x
BA8938
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-07-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering Wajong-uitkering. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet, althans onvoldoende is gebleken dat betrokkene jonggehandicapte is. Betrokkene is in zijn jeugd en tijdens zijn werk in de horeca en de zonnestudio die hij exploiteerde nooit ziek geweest.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/2618 WAJONG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 26 april 2005, 04/1087 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 juli 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2007.
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B. van Dijk, kantoorgenoot van mr. Van Asperen. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.R. Bos.




II. OVERWEGINGEN


Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 24 september 2004, waarbij het Uwv beslissend op bezwaar heeft geweigerd appellant een uitkering ingevolge de Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) (bestreden besluit), ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet, althans onvoldoende is gebleken dat appellant jonggehandicapte is.

Appellant heeft daartegen aangevoerd dat reeds uit het rapport van 2 augustus 2002 van psychiater W.H.J. Mutsaers afgeleid kan worden dat appellant al op zijn zeventiende arbeidsongeschikt was. Het op verzoek van de rechtbank ingestelde onderzoek door de psychiater C.J.F. Kemperman was derhalve niet nodig; de reden dat appellant daaraan niet meewerkte was gelegen in medicijngebruik.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

De Raad wijst er allereerst op dat appellant pas in 2003 een aanvraag heeft ingediend terzake van in 1984 gestelde arbeidsongeschiktheid, derhalve bijna 20 jaar na die datum. Daarmee heeft appellant het risico genomen dat gegevens over dat tijdstip moeilijk te traceren zijn. Dit risico dient voor zijn rekening te blijven.

Voorts overweegt de Raad dat het rapport van Mutsaers onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat appellant jonggehandicapte is. Mutsaers geeft immers zelf aan dat er nogal wat relevante gegevens ontbreken. Dat betekent, zo stelt hij, dat er geen plaats is voor definitieve conclusies of voor diagnosen die met grote zekerheid of waarschijnlijkheid gesteld kunnen worden. Een wat langere observatieperiode zou volgens hem wenselijk zijn.
Het Uwv heeft getracht nadere informatie te verkrijgen middels een onderzoek door Kemperman. Deze kon echter geen rapport uitbrengen omdat appellant geen antwoord gaf op de gestelde vragen. De Raad heeft geen reden te twijfelen aan de verklaring van Kemperman terzake.

Ook de overige beschikbare informatie is onvoldoende om te concluderen dat appellant jonggehandicapte is. In de aanvraag arbeidsongeschiktheidsuitkering - gegevens over uw ziekte of letsel - heeft appellant aangegeven dat hij de huisarts in januari 2000 voor het eerst heeft bezocht. Dit blijkt ook uit de informatie van de huisarts. Uit de rapportage van 17 juni 2003 van de verzekeringsarts blijkt dat appellant de eerste symptomen drie jaar daarvoor kreeg. Ten slotte blijkt uit informatie van de vader van appellant dat appellant nooit ziek was en nooit problemen heeft gehad. Hij heeft zijn vader altijd geholpen in de horeca en later heeft hij een zonnestudio gehad. Volgens de bezwaarverzekeringsarts bevestigt dit wat appellant zelf ook eerder te kennen gaf namelijk dat appellant in zijn jeugd en tijdens zijn werk in de horeca en de zonnestudio nooit ziek was en geen problemen had.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M Kaldenhoven als griffier, uitgesproken 2 juli 2007.

(get.) R.C. Stam.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wajong | Wajong | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x