Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT0754
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Juistheid medische grondslag. Conclusies van het rapport van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2431 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 4 juli 2000 heeft appellant de uitkering van gedaagde ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 september 2000 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Appellant heeft het tegen dit besluit door gedaagde gemaakte bezwaar bij besluit van 2 november 2000 ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft het door mr. K. Tijsterman, advocaat te Uithoorn, namens gedaagde ingestelde beroep tegen het besluit van 2 november 2000 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 10 april 2003, reg.nr. AWB 00/5346 WAO, gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van gedaagde te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven omtrent vergoeding aan gedaagde van griffierecht en proceskosten.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

De gemachtigde van gedaagde heeft van verweer gediend.

De gemachtigde van gedaagde heeft bij brief van 16 april 2004 verzocht om versnelde behandeling, waarop vanwege de Raad bij brief van 14 mei 2004 is meegedeeld dat daarvoor geen termen aanwezig zijn geacht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 januari 2005, waar voor appellant zijn gemachtigde is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. N. Strikwerda, werkzaam bij het UWV.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat hij in het in rubriek I van deze uitspraak vermelde verzoek van de gemachtigde van gedaagde om de zaak met toepassing van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet versneld te behandelen, zoals aan die gemachtigde reeds op 14 mei 2004 is meegedeeld, geen aanleiding heeft gezien tot een zodanige behandeling over te gaan. Het door de gemachtigde in dit verzoek gestelde financieel nadeel is niet nader toegelicht, zodat in dit verzoek reeds daarom geen steun kan worden gevonden voor gebruikmaking door de Raad van zijn bevoegdheid tot versnelde behandeling.

Gedaagde was werkzaam als lasser/metaalbewerker toen hij op 9 december 1997 uitviel met surmenageklachten. Bij besluit van 22 december 1998 heeft appellant aan gedaagde met ingang van 31 december 1998 een WAO-uitkering toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar werd door gedaagde bij besluit van 1 juni 1999 gegrond verklaard en gedaagde werd met ingang van 31 december 1998 in aanmerking gebracht voor een volledige WAO-uitkering. Aan laatstgenoemd besluit lag onder andere ten grondslag het door psychiater J.J.M. Min op 29 april 1999 op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst uitgebrachte rapport van onderzoek van gedaagde, waarin Min, die onder andere melding maakte van een psychiatrische opname langere tijd geleden en behandeling door de RIAGG, concludeerde tot een dysthyme stoornis, een somatisatiestoornis en een persoonlijkheidsstoornis NAO. Na behandeling achtte Min over bijvoorbeeld een half jaar het verrichten van lichte werkzaamheden elders niet onmogelijk. Vervolgens heeft Min op verzoek van de verzekeringsarts W.M. Koek gedaagde andermaal onderzocht en in zijn rapport van 17 februari 2000 vastgesteld dat er thans een ander beeld is, dat er geen dysthyme stemmingsstoornis of een somatisatiestoornis aanwezig is, dat hoogstens sprake is van een aanpassingsstoornis met gemengd emotionele kenmerken en dat gedaagde in staat moet worden geacht voltijds lichte werkzaamheden te verrichten met daarbij de aanwijzing voor autonoom functioneren ter vermijding van autoriteitsproblematiek. Koek heeft gedaagde vervolgens op 24 maart 2000 onderzocht en in lijn van het tweede rapport van Min de belastbaarheid van gedaagde vastgelegd in het handgeschreven FIS-formulier van 21 maart 2000 met onder andere beperkingen op de onderdelen 28A (werken onder tijdsdruk) en 28E (conflicthantering). Aan de hand hiervan berekende de arbeidsdeskundige P. Kars na functieduiding het verlies aan verdienvermogen van gedaagde op afgerond 35%, waarna appellant het primaire besluit van 4 juli 2000 nam.

In de bezwaarprocedure kwam informatie van de gedaagde sedert 17 juli 2000 behandelend psychiater H.M. van der Heijden van 27 september en 19 oktober 2000 beschikbaar, waarin sprake was van een geagiteerd depressief toestandsbeeld in het kader van een depressieve fase van een manisch depressieve stoornis, van een duidelijke verslechtering van het toestandsbeeld van gedaagde sedert het laatste onderzoek van Min, van het stellen van de diagnose bipolaire I stoornis, laatste episode depressief, van het gevaar van manisch psychotische decompensatie bij verdere druk en van instelling van gedaagde op medicatie met als conclusie dat gedaagde thans volledig arbeidsongeschikt is. Tevens ging Van der Heijden in op de psychiatrische voorgeschiedenis van gedaagde met onder andere een gedwongen opname in 1983. Hulst, die gedaagde niet zelf heeft onderzocht, wees in zijn rapport van 25 oktober 2000 op het arbeidsverleden van gedaagde zonder geregistreerd langdurig of frequent kortdurend verzuim en op het late tijdstip waarop gedaagde, ondanks het advies van Min, zich onder behandeling liet stellen. De conclusie van Hulst was dat gedaagde met de vastgestelde beperkingen in staat moest worden geacht de geduide functies te vervullen, waarna gedaagde het primaire besluit bij het bestreden besluit handhaafde.

De rechtbank heeft de psychiater G. Nabarro als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Nabarro onderzocht gedaagde op 22 januari 2002 en ontving informatie van de huisarts van gedaagde, waarin onder andere melding werd gemaakt van een opname van gedaagde op 1 januari 1983 in verband met manie bij een bipolaire stoornis en een depressie op 30 december 1997. In het rapport van zijn onderzoek van 13 augustus 2002 gaf Nabarro, die na psychiatrisch onderzoek van gedaagde tot een vergelijkbare diagnose kwam als Van der Heijden, aan dat de door gedaagde beschreven klachten en symptomen, alsmede zijn ziektegeschiedenis er op wijzen dat gedaagde lijdt aan een ernstige psychiatrische ziekte, waarvoor hij pas relatief kort onder behandeling is gekomen, en dat er na de start van de medicatie sprake was van verbetering zonder volledig herstel. Deze ziekte heeft volgens Nabarro bij gedaagde geleid tot functiestoornissen, die zich manifesteren in de stemmingsregulatie, het activiteitenniveau, het cognitieve functioneren en de relatie met anderen. Voor een adequate beoordeling van de belastbaarheid van gedaagde achtte Nabarro het gewenst dat deze eerst plaatsvindt na een specifiek op de stoornis van gedaagde gerichte en volgehouden behandeling.
Nabarro kon zich niet verenigen met het voor gedaagde opgestelde belastbaarheidspatroon en achtte gedaagde op de datum in geding niet belastbaar met arbeid.

De rechtbank zag geen aanleiding de bevindingen en conclusies van Nabarro voor onjuist te houden en nam deze over. In verband hiermede achtte de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist.

In hoger beroep heeft appellant er in zijn aanvullend beroepschrift op gewezen dat uit de onderzoeken van Koek, Min en Hulst niet is gebleken dat zich ten aanzien van gedaagde een van de uitzonderingssituaties voordeed als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, dat ten tijde van de datum in geding gold en in verband waarmee volgens artikel 2, tweede lid, op medische gronden volledige arbeidsongeschiktheid mag worden aangenomen. Met name wees appellant er op dat het rapport van Min aangaf dat gedaagde nog diverse activiteiten ontwikkelde en dat Nabarro op geen enkele wijze het dagverhaal, alsmede het persoonlijk en sociaal functioneren van gedaagde in beeld bracht. Volgens gedaagde voldoet het rapport van Nabarro dan ook niet aan de in evengenoemd Schattingsbesluit gestelde eisen.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant, die overigens een aan de rechtbank gerichte reactie op het rapport van Nabarro van 7 oktober 2002 heeft overgelegd met een strekking als evenbedoeld, welke zich evenwel niet bij het door de rechtbank ingediende procesdossier bevond, aangegeven dat de hiervoor weergegeven grond dat het rapport van Nabarro niet voldoet aan de vereisten van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, in verband met de uitspraak van de Raad van 13 oktober 2004 (USZ 2004,352, RSV 2005,4 en LJN AR 4192) is vervallen.
De gemachtigde van appellant is van mening dat het rapport van Nabarro niettemin niet dient te worden gevolgd omdat de conclusie dat gedaagde niet belastbaar is voor arbeid niet met medische gegevens wordt onderbouwd. Daarbij wees zij op de hiervoor weergegeven conclusies van het rapport van Min van 17 februari 2000, op de vaststelling van Koek op zijn spreekuur dat er geen stemmingsprobleem was, op het activiteitenniveau van gedaagde, zoals dit bij het onderzoek van Koek bleek en waarvan ook Nabarro melding maakte, en op de lange periode van werken van gedaagde sinds zijn opname in 1983 zonder langdurig of frequent kortdurend verzuim.

De Raad stelt, gelet op de verklaring van de zijde van appellant ter zitting, vast dat het punt van geschil in dit geding zich beperkt tot de vraag of de conclusies van het rapport van Nabarro al dan niet in rechte kunnen worden gevolgd in verband met de vraag of deze conclusies al dan niet met medische gegevens zijn onderbouwd.

De Raad stelt bij zijn beoordeling van deze vragen voorop dat in zijn vaste jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Hiervan uitgaande heeft de Raad, evenals de rechtbank, in dit geval geen aanleiding gezien de conclusies van Nabarro voor onjuist te houden en onderschrijft hij derhalve het op het rapport van Nabarro gebaseerde oordeel van de rechtbank.
De Raad overweegt daartoe in de eerste plaats het op grond van de gedingstukken, waaronder in het bijzonder de informatie van Van der Heijden, bij wie gedaagde op 17 juli 2000 in behandeling was gekomen, aannemelijk te achten dat de gezondheidstoestand van gedaagde zich na de onderzoeken van Min en Koek, waarop hun rapporten van 17 februari en 12 april 2000 betrekking hebben, in duidelijk ongunstige zin heeft gewijzigd. Van deze ontwikkeling in de gezondheidstoestand van gedaagde maakt Nabarro ook melding met een korte weergave van de essentie van de onderzoeken van Min, Koek en Van der Heijden. Gezien deze ontwikkeling had het naar het oordeel van de Raad trouwens in de rede gelegen dat Hulst, die ook de beschikking had over de informatie van Van der Heijden, in de bezwaarprocedure gedaagde had opgeroepen voor een nader onderzoek op zijn spreekuur dan wel Min om een reactie had gevraagd omtrent de bevindingen van Van der Heijden. Voorts meldt Nabarro dat gedaagde, afgezien van huishoudelijke activiteiten, overdag weinig doelgerichte activiteiten heeft en beschrijft hij de functiestoornissen en beperkingen, waartoe de psychiatrische ziekte van gedaagde leidt. Dat onder andere van functiestoornissen in relatie tot anderen in de zomer van 2000 sprake moet zijn geweest, wordt onderstreept door een zich in het dossier bevindende brief van Van der Heijden van 11 augustus 2000, waarvan de Raad niet gebleken is dat ook Nabarro daarover reeds de beschikking had.
In deze brief komt naar voren dat de eerder beschreven stoornis gepaard ging met licht dysfore ontremming in de vorm van verbale agressiviteit naar gedaagdes vriendin en dat gedaagde thans onder de druk der omstandigheden bereid is tot instelling op medicatie met Lithium. Voorts is in de brief van Van der Heijden van 3 augustus 2001 aangegeven dat gedaagde wel baat vindt bij de medicatie, dat de stemmingswisselingen minder heftig zijn en dat hij veel minder geagiteerd is. Dit laatst ondersteunt de bevinding van Nabarro dat een rele inschatting van de belastbaarheid van gedaagde, gezien de gestelde diagnose, eerst te maken valt na een specifieke op de stoornis gerichte behandeling.
De Raad is al met al van oordeel dat Nabarro in voldoende mate medisch heeft onderbouwd dat hij zich niet kan verenigen met de ten tijde van de datum in geding voor gedaagde vastgestelde belastbaarheid en dat hij, gezien de ernst van het psychiatrische ziektebeeld in de zomer van 2000, welke ernst wordt onderstreept door de beschikbare informatie van Van der Heijden, tot de conclusie kon komen dat gedaagde op de datum in geding op medische gronden niet met arbeid belastbaar was. De omstandigheid dat zich nadien een verbetering heeft voorgedaan en dat gedaagde inmiddels blijkens de brief van Van der Heijden van 6 september 2002 is gestopt met het gebruik van Lithium vanwege de bijwerkingen, leidt niet tot een ander oordeel omtrent de geldigheid in rechte van de conclusies van Nabarro voor de datum in geding. De hiervoor gestelde, als enige punten van geschil overblijvende, vragen dienen derhalve bevestigend te worden beantwoord.

Uit al het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot 644,= te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van 414,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) H.H.M. Ho.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x