Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT0756
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-Schatting. Met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt het beroep van betrokkene mede gericht tegen het nieuw genomen besluit op bezwaar. Toekenning renteschade.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/5026 WAO en 04/5961 WAO




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:


[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 16 februari 2001 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, overwegende dat appellant vanaf 18 april 2000 (de datum waarop hij is uitgevallen voor zijn werk) niet gedurende 52 weken aaneengesloten arbeidsongeschikt is geweest.

Bij besluit van 9 november 2001 heeft gedaagde zijn besluit van 16 februari 2001 herroepen en nader geweigerd aan appellant per 17 april 2001 een WAO-uitkering toe te kennen, onder overweging dat appellant daarop geen recht heeft, omdat hij per einde wachttijd (16 april 2001) niet arbeidsongeschikt in de zin van de WAO wordt geacht.

Bij uitspraak van 12 augustus 2002, kenmerk AWB 01/4253 WAO, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage appellants beroep tegen het besluit van 9 november 2001 (hierna: bestreden besluit 1) gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd, gedaagde opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, het UWV veroordeeld in de proceskosten (€ 644,--) en het UWV gelast aan appellant het griffierecht (€ 27,23,--) te vergoeden.

Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij beroepschrift aangevoerde en nadien (met bijlagen) aangevulde, toegelichte en nader toegelichte gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en daarop aanvullingen gegeven.

Bij nader besluit op bezwaar van 29 oktober 2004 heeft gedaagde, onder berusting in de aangevallen uitspraak en onder gegrondverklaring van appellants bezwaar tegen het besluit van 16 februari 2001 alsook herroeping van dat besluit, aan appellant alsnog een WAO-uitkering toegekend en wel per 17 april 2001 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.

Appellant, die zichzelf op en na 18 april 2000 volledig arbeidsongeschikt beschouwt, heeft bij brief van 8 december 2004 (met bijlagen) van zijn bezwaren tegen het nadere besluit van 29 oktober 2004 (hierna: bestreden besluit 2) doen blijken.

Daarop heeft gedaagde bij brief van 22 december 2004 (met bijlage) een reactie gegeven.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 januari 2005. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. D.S.C. Hes, advocaat te Den Haag. Voor gedaagde is verschenen mr. G. Koopman, werkzaam bij het UWV.




II. MOTIVERING


Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreide(re) weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met het volgende.

Appellant was sinds 1970 werkzaam bij een vestiging te [naam vestigingsplaats] van AC Restaurants & Hotels bv toen hij, opgeklommen tot hoofd algemene dienst, op 18 april 2000 uitviel met psychische klachten, geluxeerd door een arbeidsconflict en nadat hij in september 1999 na aanhoudende hartklachten met goed gevolg een mitralisklep-reconstructie had ondergaan. Aan bestreden besluit 1 ligt ten grondslag dat gedaagde op het standpunt staat dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid, omdat appellant geschikt is voor het verrichten van zijn eigen werk, zij het - in verband met het arbeidsconflict - bij een andere werkgever.
De rechtbank is bij de aangevallen uitspraak gekomen tot de conclusie dat de verzekeringsgeneeskundige grondslag van bestreden besluit 1 stand kan houden, aangezien appellant in beroep geen medische stukken in het geding heeft gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen en het inwinnen van een medisch deskundigenadvies niet noodzakelijk is. Wat de arbeidskundige grondslag van dat besluit betreft heeft de rechtbank evenwel geoordeeld dat die geen stand kan houden, aangezien onvoldoende aannemelijk is geworden dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk.

Appellant heeft tegen die uitspraak hoger beroep aangetekend.
Gedaagde heeft in die uitspraak berust en is vervolgens, uitgaande van drie (met twee reserve) door de bezwaararbeidsdeskundige W. Buskermolen op basis van het door de bezwaarverzekeringsarts L. Th. Schonagen op 15 augustus 2001 vastgestelde belastbaarheidspatroon als voor appellant geschikt geselecteerde functies, uiteindelijk gekomen tot het oordeel dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid 23,17% bedraagt, zodat appellant dient te worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 15-25%. Dat laatste is bij bestreden besluit 2 per 17 april 2001 alsnog geschied, echter, zonder in dat besluit een overweging te wijden aan de door appellant in beroep geclaimde schadevergoeding.

Wat zijn bezwaren tegen bestreden besluit 2 betreft heeft appellant gesteld dat hij op de datum in geding medisch gezien, met name in psychisch opzicht, aanmerkelijk meer was beperkt dan vanwege gedaagde is aangenomen en om die medische alsook arbeidskundige redenen per de datum in geding niet in staat was de aan de hem voorgehouden functies verbonden werkzaamheden te verrichten.

Gelet op de door appellant in beroep bij de rechtbank geclaimde schade ingeval van uit de te geven uitspraak voortvloeiende toekenning door gedaagde van een WAO-uitkering in aansluiting op het einde van de wachttijd, waarmee hij kennelijk uitsluitend heeft gedoeld op renteschade, kan niet worden geoordeeld dat appellant geen zelfstandig, rechtens te beschermen belang meer heeft bij vernietiging van bestreden besluit 1.
De Raad zal dan ook dit besluit, evenals de aangevallen uitspraak vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hieronder in rubriek III doen al wat de rechtbank had moeten doen. Voorts zal de Raad daarbij gedaagde veroordelen in appellants proceskosten in hoger beroep (tot een bedrag van € 644,--) en bepalen dat het UWV het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht (€ 82,--) moet vergoeden.
Aangezien bij bestreden besluit 2 een WAO-uitkering per 17 april 2001 is toegekend en in zo’n geval ingevolge ’s Raads jurisprudentie het verzoek om renteschade met toepassing van artikel 8:73 van de Awb dient te worden toegewezen, doch uit de stukken niet is af te leiden of gedaagde reeds eigener beweging tot vergoeding van de renteschade op de inmiddels gebruikelijke wijze is overgegaan, zal de Raad gedaagde ook veroordelen tot vergoeding van die schade. Wat betreft de wijze waarop gedaagde de aan appellant toekomende vergoeding, bestaande uit wettelijke rente over de (reeds nabetaalde of) nog na te betalen uitkering, dient te berekenen, volstaat de Raad met verwijzing naar zijn bij partijen bekende uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314.

Aangezien appellant zich aanmerkelijk meer arbeidsongeschikt acht dan door gedaagde bij bestreden besluit 2 is vastgesteld, is met dat besluit niet volledig tegemoet gekomen aan appellants bezwaren. De Raad zal dan ook met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb appellants beroep mede gericht achten tegen dat besluit. Ten aanzien van dat besluit overweegt de Raad als volgt.

De Raad deelt de conclusie van de rechtbank wat de medische kant van de zaak betreft. In hoger beroep heeft appellant weliswaar medische stukken overgelegd, maar die stukken geven elk op zich, noch in onderling verband aanleiding tot de conclusie dat het door de bezwaarverzekeringsarts Schonagen vastgestelde belastbaarheidspatroon niet juist is. Evenmin geven die stukken de Raad aanleiding een onderzoek door een externe medisch deskundige te doen instellen. Die stukken hebben deels geen betrekking op de datum in geding, zoals de verklaring van de GGD-arts Th. Elsendoorn die ziet op appellants medische toestand op 28 juni 2002 en heeft geleid tot tijdelijk gehele vrijstelling van verplichtingen met betrekking tot het verrichten van arbeid in het kader van de Algemene bijstandswet. De andere medische stukken zijn niet overtuigend. Appellants huisarts A. Goslinga heeft zijn medisch journaal van 30 oktober 1997 tot en met 18 augustus 2004 overgelegd. Daaruit is rond de datum in geding (17 april 2001) niet af te leiden dat er sprake is van een in psychisch opzicht ernstiger toestand dan door de bezwaarverzekeringsarts Schonagen op 15 augustus 2001 vastgesteld. De huisarts heeft op 19 juni en 21 augustus 2000 weliswaar melding gemaakt van een depressie, maar heeft niet eerder dan in januari 2002 aanleiding gezien appellant door te verwijzen naar het Centrum Geestelijke Gezondheidszorg Leiden e.o. waar appellant in behandeling is gekomen van de gezondheidszorgpsycholoog drs. J.M. Blanken, wiens op 22 februari 2002 afgegeven verklaring inhoudt dat er op dát moment sprake is van een aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken, partieel in remissie.
Appellant heeft er onder overlegging van stukken uit een WAO-beroepszaak ten name van een ander nog een beroep op gedaan dat het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts Schonagen niet altijd door de rechtbank wordt gedeeld. Daarmee kan evenwel niet zijn gezegd dat een besluit dat op de bevindingen en het oordeel van die bezwaarverzekeringsarts is gebaseerd, zo ook het thans aanhangige, reeds daarom dient te worden vernietigd.
Appellant heeft ook nog gesteld dat er bij hem geen sprake is van duurzaam benutbare mogelijkheden, maar in die stelling kan appellant niet worden gevolgd, reeds vanwege het door hem verrichte vrijwilligerwerk (bejaarden met een bus van huis naar de dagverzorging brengen en werken in een buurthuis).

Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft overweegt de Raad als volgt.
Van de drie functies die alsnog aan de schatting per einde wachttijd ten grondslag zijn gelegd, zijn er twee met relevante asterisken ten teken van mogelijke overschrijding van de belastbaarheid naar voren gekomen uit het functie-informatiesysteem, waarbij de Raad aantekent dat hij in beginsel uitgaat van de juistheid van de in dat systeem opgenomen feitelijke gegevens.
Deze asterisken hebben aanleiding gegeven tot overleg tussen de bezwaararbeidsdeskundige en de bezwaarverzekeringsarts en naar het oordeel van de Raad is in de medische bijlage bij de brief van gedaagde van 23 april 2004 afdoende gemotiveerd waarom daarbij geen sprake is van overschrijding van de belastbaarheid.
Bij het vaststellen van de omvang van de maatman heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad om de door gedaagde aangegeven redenen terecht geen rekening gehouden met de door appellant niet genoten vakantie-uren, zodat appellant niet kan worden gevolgd in zijn berekening welke hem - echter, zonder rekening te houden met de neerwaartse invloed van een verhoging van het aantal maatmanuren op de hoogte van het in aanmerking te nemen maatmaninkomen - heeft geleid tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 28,65%.

Hieruit volgt dat bestreden besluit 2 niet voor vernietiging in aanmerking komt.

Gelet op het vorenstaande beslist de Raad als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van 9 november 2001 gegrond en vernietigt dat besluit;
Verklaart het beroep tegen het nadere besluit op bezwaar van 29 oktober 2004 ongegrond;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van de renteschade over de alsnog per 17 april 2001 toegekende WAO-uitkering op de wijze als hiervoor aangegeven;
Veroordeelt gedaagde voorts in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal
€ 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 109,23 (f 60,-- + € 82,--) dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden in tegenwoordigheid van J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E. Meijer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x