Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT1094
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies zowel in medisch als in arbeidskundig opzicht zijn passend voor betrokkene aangemerkt.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2229 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat te Vaals, op bij beroepschrift met bijlagen aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht onder dagtekening 26 maart 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer: AWB 02 / 551 WAO Z.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 januari 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Nadaud, voornoemd, en waar namens gedaagde - die was opgeroepen om bij gemachtigde ter zitting te verschijnen - aanwezig was mr. C.H.M.J. Arets, werkzaam bij het UWV.




II. MOTIVERING


Bij primair besluit van 24 juli 1997 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, met ingang van 9 september 1997 ingetrokken.

Bij besluit van 22 juli 1999 heeft gedaagde het tegen evenvermeld primair besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 april 2001 heeft de rechtbank Maastricht het tegen het besluit van 22 juli 1999 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van appellant.

De rechtbank heeft zich in die uitspraak expliciet met de medische grondslag van de schatting kunnen verenigen, maar de arbeidskundige grondslag ontmoette bezwaren bij de rechtbank. De rechtbank was namelijk van oordeel dat een aantal functies waarin als opleiding MAVO met diploma werd gevraagd alsmede een functie waarin een LBO-opleiding werd gevraagd, niet als geschikt voor appellant konden worden aanvaard, daar appellant, die in Zuid-Afrika een opleiding aan een High School had gevolgd, niet over zodanige diploma’s beschikte. Bij het vervallen van bedoelde functies resteerden onvoldoende functies om de schatting te kunnen dragen.

Gedaagde heeft in die uitspraak berust en heeft na nader - onder meer arbeidskundig - onderzoek bij besluit van 7 maart 2002 het bezwaar tegen het primaire besluit van 24 juli 1997 gegrond verklaard en beslist om appellant op en na 9 september 1997 onveranderd voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt te beschouwen.

De rechtbank Maastricht heeft bij de in rubriek I vermelde uitspraak het ingestelde beroep tegen het besluit van 7 maart 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen niet meer toe te komen aan een beoordeling van de zijde van appellant (wederom) aangevoerde medische grieven, daar destijds bij de uitspraak van 6 april 2001 reeds is geoordeeld dat gedaagde de medische beperkingen van appellant juist heeft vastgesteld en van de zijde van appellant tegen die uitspraak geen hoger beroep is ingesteld.

Voorts heeft de rechtbank zich dit maal kunnen stellen achter de arbeidskundige grondslag van de schatting. In het bijzonder heeft de rechtbank in dit verband overwogen dat gedaagde appellant terecht in staat heeft geacht tot het vervullen van de als schattingsgrondslag in aanmerking genomen functies van vertegenwoordiger, samensteller en commercieel medewerker.
De rechtbank heeft met betrekking tot eerstgenoemde functie verder nog overwogen dat appellant op de datum in geding (nog) beschikte over het voor die functie vereiste rijbewijs B. De omstandigheid dat appellants rijbewijs per 27 maart 1998 ongeldig is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant, gegeven de bij de onderhavige schatting ter beoordeling staande datum 9 september 1997.

De rechtbank heeft, overwegende dat aan de gebruikte functies een zodanige verdiencapaciteit kan worden ontleend dat de mate van arbeidsongeschiktheid uitkomt beneden de 15% (9,11%) en voorts overwegende dat gedaagde om hem moverende redenen heeft beslist om appellant met ingang van 9 september 1997 (toch) ongewijzigd in te delen in de klasse 15 tot 25%, het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad in de eerste plaats dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de medische grondslag van de onderhavige schatting in dit geding niet meer aan de orde kan komen, nu daarover reeds een rechterlijk gewijsde - de hiervoor vermelde uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 april 2001 - voorligt.

In de tweede plaats overweegt de Raad dat appellant niet kan worden gevolgd in zijn grief dat gedaagde bij de arbeidskundige beoordeling ten onrechte niet is uitgegaan van de situatie op 9 september 1997, maar van de “huidige” situatie, dat wil zeggen de situatie ten tijde van het instellen van het onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat die grief feitelijk onjuist is: gedaagdes bezwaararbeidsdeskundige heeft wel degelijk tot uitgangspunt genomen de functies zoals die ten tijde in dit geding van belang op de arbeidsmarkt voorkwamen. De Raad wijst in dit kader in het bijzonder op de beide rapporten van 24 april 2002 van gedaagdes bezwaararbeidsdeskundige A.F.M. van Belkom.

Voorts is de Raad van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies terecht als zowel in medisch als in arbeidskundig opzicht passend voor appellant zijn aangemerkt. Wat betreft de medische geschiktheid van de functies heeft de Raad in aanmerking genomen dat de verwoordingen functiebelasting van die functies geen relevante overschrijdingen laten zien van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid.

Wat betreft de geschiktheid van de functies in arbeidskundig opzicht overweegt de Raad dat met het door gedaagde ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 6 april 2001 bij de afdeling diplomawaardering van de Informatie Beheer Groep te Groningen ingestelde onderzoek naar de waarde in Nederland van het Zuid-Afrikaanse schooldiploma van appellant - uit welk onderzoek is gebleken dat appellant met de door hem gevolgde High School-opleiding in Zuid-Afrika een niveau heeft bereikt dat vergelijkbaar is met dat van een afgeronde HAVO-opleiding in Nederland, genoegzaam is komen vast te staan dat appellant kan worden geacht te voldoen aan het voor de functies gevraagde opleidingsniveau.

Verder sluit de Raad zich met betrekking tot de functie van vertegenwoordiger aan bij het oordeel van de rechtbank dat appellant ten tijde van de datum in geding nog beschikte over een geldig rijbewijs en dat de latere intrekking daarvan derhalve niet kan meebrengen dat die functie niet als voor appellant passend kan worden aangemerkt. De omstandigheid dat appellant reeds ten tijde van de datum in geding betrokken was bij een onderzoek naar zijn rijvaardigheid maakt dit niet anders. Overigens zou het niet meenemen van deze functie als schattingsgrondslag niet tot een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse leiden.

Ten slotte is van de zijde van appellant ter zitting nog aangevoerd dat het in strijd is te achten met het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951, 154) neergelegde beginsel van equality of arms, dat gedaagde in het kader van zijn besluitvorming binnen de eigen gelederen de beschikking heeft over tal van (verzekerings)artsen, terwijl hijzelf ter onderbouwing van zijn medische bezwaren is aangewezen op het tegen hoge kosten inschakelen van een externe deskundige.

Deze grief treft reeds hierom geen doel, nu betrokkenen in procedures als de onderhavige de eigen medische zienswijze ook kunnen (trachten te) onderbouwen met een verklaring van de huisarts of een andere behandelend arts, waaraan doorgaans geen of weinig kosten zijn verbonden, en appellant van dat - ook hem in beginsel ten dienste staande - middel geen gebruik heeft gemaakt.

Al het vorenoverwogene brengt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) H.H.M. Ho.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x