Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT1937
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoogte vastgestelde gedifferentieerde WAO-premie. Is er sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen eigenrisicodragende werkgevers en niet-eigenrisicodragende werkgevers?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/871 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante] , gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijke instituut sociale verzekeringen (lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft G.H.M. van Asseldonk, werkzaam bij Bekkers Adviesbureau te Sint-Oedenrode, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 januari 2003, reg.nr. 01/1800.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2 december 2004, waar partijen niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 28 november 2000 heeft gedaagde ten laste van appellante de gedifferentieerde premie ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor 2001 vastgesteld op 4,77%. De hoogte van de gedifferentieerde premie wordt in dit geval mede bepaald door aan een (ex-)werkneemster van appellante in 1999 uitbetaalde WAO-uitkering die door gedaagde vóór 1 januari 1998 aan haar is toegekend en die bij besluit van 23 januari 1998 is herzien per 29 december 1996.

Het tegen het besluit van 28 november 2000 gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 juni 2001 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 12 juni 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat, nu appellante - na een voorgeschreven bekendmaking van het herzieningsbesluit van 23 januari 1998 - nog de gelegenheid heeft om bezwaar te maken tegen dat besluit, gedaagde appellante terecht artikel 87e van de WAO heeft tegengeworpen. De grief van appellante dat sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen eigenrisicodragende werkgevers en niet-eigenrisicodragende werkgevers, heeft de rechtbank voorts onder verwijzing naar artikel 120 van de Grondwet verworpen.

Met betrekking tot de aan het besluit van 12 juni 2001 ten grondslag liggende WAO-uitkering overweegt de Raad het volgende. De WAO-uitkering die vóór 1 januari 1998 aan de (ex-)werknemer van appellante is toegekend behoort, voorzover deze bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie over 2001 is betrokken, tot de “merits of the matter” van het onderhavige geschil. In het kader van het door appellante aanhangig gemaakte geschil ter zake van het besluit van 12 juni 2001 moet kunnen worden getoetst of deze uitkering terecht is toegekend. In zoverre artikel 87e van de WAO daaraan in de weg staat, dient die bepaling wegens schending met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) buiten toepassing te blijven.

Omdat in het onderhavige geval na 1 januari 1998 een besluit is genomen omtrent de voortzetting van de WAO-uitkering heeft de (verdere) betaling van de WAO-uitkering volledig plaatsgevonden op basis van dat besluit. Grieven met betrekking tot de toekenning of voortzetting van de WAO-uitkering waarover vóór 1 januari 1998 besluitvorming had plaatsgevonden, kunnen worden ingebracht in de tegen het na 1 januari 1998 genomen voortzettingsbesluit gerichte procedure. In dat verband kan de werkgever, die stelt dat er vóór 1 januari 1998 geen grond was voor toekenning of voortzetting van de WAO-uitkering, artikel 87e van de WAO niet worden tegengeworpen. Op die wijze is met de mogelijkheid om tegen een na 1 januari 1998 genomen besluit een rechtsmiddel aan te wenden voor een geval als het onderhavige verzekerd dat de betrokkene de “merits of the matter”, waarbij de Raad onder meer denkt aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, ter beoordeling aan de rechter kan voorleggen.
De omstandigheid dat het na 1 januari 1998 genomen besluit niet tijdig aan appellante is bekend gemaakt, doet aan het vorenstaande niet af. Gedaagde zal het tegen dat besluit gemaakte bezwaar alsnog in behandeling moeten nemen.

Dat het door de wetgever gemaakte onderscheid tussen eigenrisicodragende werkgevers en niet-eigenrisicodragende werkgevers schending van het gelijkheidsbeginsel meebrengt, kan de Raad niet volgen. Daarbij verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 20 juli 2001, gepubliceerd in RSV 2001/206.

Appellantes verzoek om schadevergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, reeds omdat dit verzoek ziet op schade die het gevolg is van een beweerdelijk onrechtmatig toegekende en/of voortgezette WAO-uitkering, waarover de Raad gelet op het vorenstaande thans niet heeft te oordelen.

Met betrekking tot het verzoek om veroordeling van gedaagde in de proceskosten merkt de Raad op dat het besluit van 12 juni 2001 stand kan houden. Het oordeel van de rechtbank om geen proceskostenvergoeding toe te kennen, kan de Raad derhalve onderschrijven. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep ziet de Raad evenmin aanleiding.

Beslist wordt derhalve als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) L.M. Reijnierse.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x