Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT2009
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoogte vastgestelde verschuldigde gedifferentieerde WAO-premie. Is terecht ook dat deel van de uitkering dat niet tot uitbetaling kwam in aanmerking genomen bij de berekening van de gedifferentieerde premie?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/1270 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 22 januari 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 5 september 1997, waarbij de door haar verschuldigde, gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor het jaar 1998 is vastgesteld op 0,96 %.

De rechtbank s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 9 juni 2000, registratienummer 98/1869, het door appellante tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven, gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellante en gelast dat het Uwv het door appellante gestorte griffierecht vergoedt.

Bij uitspraak van 13 februari 2002, registratienummer 00/3947, heeft de Raad deze uitspraak vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank.

De rechtbank s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 20 januari 2003, registratienummer 02/575, dezelfde beslissingen genomen als bij haar uitspraak van 9 juni 2000.

Namens appellante is mr. G. van Leeuwen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 16 mei 2003, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 februari 2005, waar appellante, zoals aangekondigd, zich niet heeft laten vertegenwoordigen en waar voor gedaagde is verschenen P.R.H. Min, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Het hoger beroep van appellante is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit van 22 januari 1998 in stand te laten.

Aan dit besluit tot handhaving van de door appellante voor het premiejaar 1998 verschuldigde gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de WAO ligt ten grondslag de aan een ex-werknemer van appellante met ingang van 3 december 1993 toegekende uitkering krachtens de WAO naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, op welke uitkering deze ex-werknemer in 1996 nog aanspraak maakte. Deze uitkering werd in 1996 uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% in verband met inkomsten uit arbeid in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw).

Niet langer is in geschil het antwoord op de vraag of de uitkering op goede gronden is toegekend. Wel is in geschil het antwoord op de vraag of gedaagde terecht ook dat deel van de uitkering dat niet tot uitbetaling kwam, in aanmerking heeft genomen bij de berekening van de gedifferentieerde premie.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder verwijzing naar artikel 4, zevende lid, van het Besluit premiedifferentiatie WAO deze vraag bevestigend beantwoord.

De Raad overweegt het volgende.

In artikel 76f, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO, voorzover hier van belang, is bepaald dat gedurende de periode van vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop een arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komen het gezamenlijke bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de vakantie-uitkeringen die in deze periode niet zijn uitbetaald wegens het genieten van loon als bedoeld in artikel 44, derde lid, en dat op grond van artikel 44, vierde lid, wordt afgedragen aan s Rijks kas.
Artikel 44, derde en vierde lid, van de WAO zien op het genieten van inkomsten uit arbeid, bestaande uit loon ingevolge een arbeidsovereenkomst als bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 van de Wsw.

In artikel 4, zevende lid, van het Besluit premiedifferentiatie WAO is bepaald dat voor de toepassing van het tweede en derde lid de door het UWV toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de vakantie-uitkeringen die in de in de aanhef van artikel 76f van de Wet bedoelde periode geheel of ten dele niet aan de werknemer zijn uitbetaald wegens het genieten van loon als bedoeld in artikel 44, derde lid, van de Wet, worden geacht aan de werknemer te zijn uitbetaald.
De Nota van Toelichting (Stb. 1997, 338) vermeldt bij deze bepaling het volgende:
In het zevende lid is aangegeven dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering die niet tot uitbetaling komt wegens het genieten van loon uit een dienstbetrekking in de zin van de Wsw betrokken wordt bij de berekening van het individuele en het gemiddelde werkgeversrisicopercentage. Dit ligt in de rede nu de bedragen die met deze uitkeringen zijn gemoeid op grond van artikel 76f, eerste lid, onderdeel b, WAO ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas worden afgedragen aan s Rijks kas.

Naar het oordeel van de Raad volgt uit het vorenstaande dat, gelijk de rechtbank heeft gedaan, de in dit geding aan de orde zijnde vraag bevestigend moet worden beantwoord. In het vorenstaande ligt tevens besloten dat de grief van appellante dat artikel 4, zevende lid, van het Besluit premiedifferentiatie WAO strijd oplevert met het gelijkheidsbeginsel, faalt. Gelet op de subsidieverstrekking door het Rijk aan gemeenten ter uitvoering van de Wsw kan het genieten van inkomen uit arbeid in Wsw-verband niet gelijk worden gesteld met het genieten van inkomen uit arbeid in het vrije beroeps- en bedrijfsleven.

Het hoger beroep slaagt derhalve niet. Mitsdien komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2005.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x