Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT2413
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Zijn psychische beperkingen van betrokkene juist gewaardeerd?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/150 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 2 mei 2001 heeft gedaagde geweigerd om de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, ingaande 12 februari 2001 te verhogen.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 15 oktober 2001 heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank ís-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 23 december 2002 (reg.nr. AWB 01/2618 WAO) het tegen het besluit van 15 oktober 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. F.T.I. Oey, advocaat te Helmond, op bij aanvullend beroepschrift van 18 februari 2003 aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Nadien heeft appellants gemachtigde bij schrijven van 17 juni 2003 een rapportage van de gz-psycholoog i.o. drs. H. Heldens d.d. 3 juni 2002 ingebracht.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, met als bijlage een rapport van de bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie van 27 juni 2003.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 februari 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Oey, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.W. Tak-de Heer, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Voor een uitvoerige uiteenzetting van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

In hoger beroep ligt ter beantwoording de vraag voor of bij de aangevallen uitspraak terecht is beslist tot instandlating van gedaagdes besluit van 15 oktober 2001.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend, onder overneming van de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gebezigde gronden. In hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd - in essentie een herhaling van hetgeen bij de rechtbank naar voren is gebracht en door de rechtbank op goede gronden is verworpen - heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een andersluidend oordeel te komen.

De Raad voegt hieraan toe dat hem uit het door appellant in hoger beroep overgelegde rapport van de gz-psycholoog i.o. drs. H. Heldens d.d. 3 juni 2002 niet is gebleken dat de psychische beperkingen van appellant op de hier in geding zijnde datum 12 februari 2001 onjuist zijn vastgesteld. Het rapport ziet in de eerste plaats op de gezondheidssituatie van appellant ruim na de hier in geding zijnde datum, maar biedt ook overigens geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de psychische beperkingen van appellant als gevolg van ziekte of gebrek door gedaagde zijn ondergewaardeerd.

In het vorenstaande ligt besloten dat de Raad onvoldoende aanleiding ziet tot het raadplegen van een onafhankelijk medische deskundige, zoals namens appellant ter zitting in hoger beroep is verzocht.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op
18 maart 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x