Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT2589
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Is het beroep van de werkgeefster bij de rechtbank ten onrechte niet-ontvankelijkheid verklaard wegens het ontbreken van procesbelang?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/3090 WAO en 02/3091 WAO




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.



Zaak 02/3090 WAO

Bij besluit van 20 augustus 1999 heeft gedaagde aan [werkneemster] (hierna: [werkneemster]) - die per 13 oktober 1997 als schoonmaakster voor 32 uur per week bij appellante in dienst is getreden, zich per 4 september 1998 met met een echtscheiding samenhangende psychische klachten ziek gemeld en later ook rug- en schouderklachten heeft geuit - in aansluiting op het einde van de wachttijd van 52 weken, te weten per 3 september 1999 (op welke datum [werkneemster] aan haar linker schouder zou worden en ook is geopereerd), op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) een uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. In haar bezwaar tegen dit besluit is appellante wegens onverschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 22 juni 2000, welk besluit in rechte onaantastbaar is geworden, doordat daartegen onverschoonbaar te laat een rechtsmiddel is aangewend.
Bij besluit van 3 mei 2000 heeft gedaagde de WAO-uitkering aan [werkneemster] per 4 juli 2000 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Tegen dit besluit is zowel door [werkneemster] als door appellante bezwaar gemaakt.

Bij besluit op bezwaar van 14 september 2000 (ten aanzien van beider bezwaarschrift) heeft gedaagde zijn besluit van 3 mei 2000 niet gehandhaafd, is aan [werkneemster] alsnog per 4 juli 2000 WAO-uitkering verleend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer en is die uitkering met inachtneming van de in artikel 36b van de WAO neergelegde uitlooptermijn van minstens zes weken per 24 oktober 2000 ingetrokken onder overweging dat [werkneemster] voor minder dan 15% arbeidsongeschikt is te beschouwen. Tegen dit besluit is zowel door [werkneemster] als door appellante beroep ingesteld. Bij uitspraak van 28 augustus 2001 heeft de rechtbank Roermond het beroep van [werkneemster] niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld, zodat die uitspraak in rechte onaantastbaar is geworden.

Bij uitspraak van 18 april 2002, kenmerk 00/916 en 01/634 WAO, heeft de rechtbank Roermond het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard wegens het geen belang meer hebben bij een beoordeling van het besluit van 14 september 2000, omdat dat besluit sinds het (hierna te noemen) besluit van 18 oktober 2000 als ingetrokken kan worden beschouwd.



Zaak 02/3091 WAO

Bij besluit van 18 oktober 2000 heeft gedaagde - in afwachting van de uitkomsten van een door de verzekeringsarts J.J.P.A. Smijers op 10 oktober 2000 geëntameerde psychologische expertise - de WAO-uitkering aan [werkneemster] per 24 oktober 2000 ongewijzigd voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

Bij besluit op bezwaar van 17 april 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 18 oktober 2000. Tegen dit besluit op bezwaar heeft appellante beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 18 april 2002, kenmerk 00/916 en 01/634 WAO, heeft de rechtbank Roermond tevens het beroep van appellante tegen het besluit van 17 april 2001 ongegrond verklaard.



Zaken 02/3090 en 02/3091 WAO

Tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 18 april 2002 heeft appellante op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

[werkneemster] heeft desgevraagd te kennen gegeven in beide gedingen als partij te willen deelnemen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 december 2004. Voor appellante is verschenen J.H.C. van Dongen, werkzaam bij de Metaalunie, Nederlandse organisatie van ondernemers in het midden- en kleinbedrijf in de metaal. Voor gedaagde is verschenen mr. P.W.F. Mezenberg, werkzaam bij het Uwv. [werkneemster] is niet verschenen.




II. MOTIVERING


Van de door haar in hoger beroep aan de orde gestelde bezwaren tegen de aangevallen uitspraak heeft appellante ter zitting te kennen gegeven dat vele daarvan niet meer worden gehandhaafd als gevolg van enerzijds de in rechte onaantastbaarheid van het besluit van 20 augustus 1999 tot toekenning van de WAO-uitkering aan [werkneemster] per 3 september 1999 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer en anderzijds de inmiddels voortgeschreden jurisprudentie van de Raad alsook de gevolgen die daaraan zijn verbonden. De Raad zal zich dan ook beperken tot hetgeen partijen thans nog verdeeld houdt.

Appellante heeft aangevoerd dat gelet op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten van 16 augustus 2000, dat is uitgemond in de conclusie dat de mate van arbeidsongeschiktheid van [werkneemster] 3,6% bedraagt en dus, zulks in afwijking van het besluit van 3 mei 2000 (waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer is herzien en nader vastgesteld naar een mate van 25-35%), op minder dan 15% zou dienen te worden gesteld. Niettemin is aan [werkneemster] bij besluit van 14 september 2000 per 4 juli 2000 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekend en is eerst per 24 oktober 2000 tot intrekking van die uitkering overgegaan om reden dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt. Zou heel snel na het onderzoek op 18 november 1999 door de verzekeringsarts Smijers (waarbij tevens een belastbaarheidspatroon is opgesteld) een onderzoek door een arbeidsdeskundige zijn ingesteld in plaats van eerst op 21 april 2000 door de arbeidsdeskundige H.F.G.A.M. van den Bosch, dan zou al in 1999 een conclusie tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% hebben moeten volgen. Door het onbegrijpelijk lange tijdsverloop en de onbegrijpelijke afwijking van het door de bezwaararbeidsdeskundige Kursten op 16 augustus 2000 ingenomen standpunt, is appellante in de (Pemba-)problemen gekomen.
Voorts is het besluit van 18 oktober 2000, waarbij aan [werkneemster] per 24 oktober 2000 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer is toegekend, genomen zonder medisch en arbeidskundig onderzoek. Met het nemen van dat besluit is niet gewacht op de ontvangst van het onderzoeksrapport dat op 21 november 2000 is uitgebracht door de klinisch psycholoog drs. M.P. Steger als externe deskundige op verzoek van de verzekeringsarts Smijers, gedaan bij brief van 10 oktober 2000, en dat in een door Smijers op 30 november 2000 uitgebracht rapport van commentaar is voorzien. Met een aantal in dat rapport vermelde gegevens is ten onrechte geen rekening gehouden, terwijl dat rapport op een aantal punten niet spoort met in rapporten van eerdere datum vermelde gegevens, wat de vraag doet rijzen of de conclusie van Smijers in diens rapport van 30 november 2000, te weten dat [werkneemster] vanwege ernstige psychopathologie in hoge mate op alle niveaus disfunctioneert en er geen benutbare mogelijkheden zijn, wel juist is.

Gedaagde heeft ter zitting toegelicht dat na het door Smijers op 18 november 1999 ingestelde onderzoek niet te veel tijd is genomen. Gedaagde gaat ervan uit dat [werkneemster] lang kans heeft gezien haar psychische klachten te maskeren. Immers, de verzekeringsarts Smijers en de arbeidsdeskundige Van den Bosch hebben in hun rapporten van 18 november 1999 respectievelijk 21 april 2000 tot dan geen melding van zodanige klachten gemaakt (Van den Bosch heeft in zijn rapport aangetekend dat [werkneemster] desgevraagd heeft aangegeven dat er zich in haar medische situatie ten opzichte van het medisch onderzoek op 18 november 1999 geen niet al bekende wijzigingen hadden voorgedaan), terwijl [werkneemster] ter hoorzitting op 6 juli 2000 geen psychische klachten aan de orde heeft gesteld en ook de bezwaarverzekeringsarts P. Tjen, die die hoorzitting heeft bijgewoond, in diens rapport van 6 juli 2000 geen melding van psychische klachten of psychische problemen heeft gemaakt. Er zijn weliswaar wat verschillen tussen enerzijds de verzekeringsgeneeskundige rapporten en anderzijds het rapport van Steger aan te wijzen, maar die missen zelfstandige betekenis, aldus tot slot gedaagde.

De Raad overweegt het volgende.

Aangezien appellante in hoger beroep is opgekomen tegen het nader alsnog van 4 juli 2000 tot en met 23 oktober 2000 verlenen van een WAO-uitkering aan [werkneemster] naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, verstaat de Raad de grieven van appellante aldus dat zij in hoger beroep ook is opgekomen tegen de niet-ontvankelijk verklaring van haar door de rechtbank wegens het geen belang meer hebben bij een beoordeling van het besluit van 14 september 2000 waarbij die toekenning heeft plaatsgevonden.
Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat aan appellante niet elk rechtens te beschermen belang bij een zodanige beoordeling is te ontzeggen, daar de datum waarop het besluit op bezwaar van appellante als werkgeefster van [werkneemster] tegen het besluit van 3 mei 2000 tot verlaging van de WAO-uitkering aan [werkneemster] naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35% is genomen (14 september 2000 dus) het vertrekpunt vormt voor de toepassing door gedaagde van artikel 36b, eerste lid, van de WAO - dat erin voorziet dat de verlaging van een WAO-uitkering die voortvloeit uit het door de werkgever ingestelde bezwaar niet eerder plaatsvindt dan zes weken na de dag waarop de beslissing op bezwaar is bekend gemaakt - welke toepassing dwingend is voorgeschreven en dus ook door de Raad dient te worden gerespecteerd.

Appellante heeft haar standpunt dat gedaagde na het medisch onderzoek door de verzekeringsarts Smijers op 18 november 1999 nog in 1999 had kunnen en moeten besluiten tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%, voor het eerst ter zitting van de Raad ter tafel gebracht. Mogelijk is dat het gevolg van het feit dat in de loop van de procedure vele van haar talrijke bezwaren zijn komen weg te vallen, waardoor de lucht wat is opgeklaard en een aspect als dit duidelijk(er) in beeld is kunnen komen, maar dat neemt het tardieve karakter ervan niet weg. Dit standpunt van appellante staat ook op gespannen voet met wat zij in haar aanvullende beroepschrift van 16 juli 2002 (in de tweede alinea van de ongenummerde derde pagina) heeft gesteld, namelijk dat [werkneemster] in feite per 4 juli 2000 reeds minder dan 15% arbeidsongeschikt was te achten. Appellante heeft ook geen gebruik gemaakt van de haar geboden gelegenheid om tijdig bezwaar te maken tegen het toekenningsbesluit van 20 augustus 1999. Dat besluit is bij brief van 20 augustus 1999 tevens aan appellante gezonden. Uit de gedingstukken valt af te leiden dat appellante weloverwogen, zij het op basis van een inschatting waarvan zij later zelf heeft vastgesteld dat die onjuist was, tegen dat besluit niet in rechte is opgekomen. Eerst bij brief van 28 april 2000 heeft zij alsnog bezwaar tegen dat besluit aangetekend, maar onverschoonbaar te laat, zoals door gedaagde is vastgesteld bij besluit op bezwaar van 22 juni 2000, waartegen door appellante geen rechtsmiddel is aangewend. Appellante heeft het er wat het besluit van 20 augustus 1999 betreft zogezegd bij laten zitten en die omstandigheid doet afbreuk aan haar klacht over het gebrek aan snelheid waarmee vanwege gedaagde de herziening van het besluit van 20 augustus 1999 heeft afgerond. Het enkele tijdsverloop van (nog net geen) vijf maanden tussen de beoordeling door de verzekeringsarts en de beoordeling door de arbeidsdeskundige kan niet zonder meer tot gevolg hebben dat thans wordt vastgesteld dat [werkneemster] reeds per eind 1999 dan wel begin 2000 minder dan 15% arbeidsongeschikt had moeten worden bevonden. Het gaat bij het op 3 mei 2000 genomen besluit om een ambtshalve genomen besluit tot herziening voor het nemen waarvan geen in de WAO vastgelegde termijn geldt. Het zou gedaagde zeker niet hebben misstaan, indien hij eerder dan op 3 mei 2000 een besluit tot herziening zou hebben genomen, maar de Raad ziet onder de gegeven omstandigheden onvoldoende basis voor het oordeel dat gedaagde dermate laat dat besluit heeft genomen dat hij het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Daarbij komt nog dat beslist niet zeker is dat een arbeidskundige beoordeling nog in 1999 op basis van de op dát moment in het functie-informatiesysteem voorliggende gegevens over actuele functies zou hebben geleid tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De conclusie van Kursten kan niet zonder meer op een nog in 1999 gelegen datum worden geprojecteerd. Een aspect daarbij is voorts nog dat Kursten is uitgegaan van een iets ander, door de bezwaarverzekeringsarts Tjen op 6 juli 2000 op enkele punten bijgesteld belastbaarheidsheidspatroon dan waarvan de arbeidsdeskundige Van den Bosch is uitgegaan. Weliswaar gaat het daarbij om een iets aangescherpt belastbaarheidspatroon, maar niettemin kunnen daardoor in combinatie met het latere tijdstip van raadpleging van het functie-informatiesysteem, andere functies in beeld komen die tot een andere uitkomst leiden. Kortom, het beoordelen van een situatie eind 1999 op basis van een in augustus 2000 ingesteld arbeidskundig onderzoek draagt een te speculatief karakter om zonder meer te worden gevolgd. De Raad is op basis van de gedingstukken dan ook niet kunnen komen tot het oordeel dat circa vijf tot zeven maanden eerder dan op 4 juli 2000 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 15% bedroeg.

Wat het bezwaar van appellante tegen de voortzetting van de WAO-uitkering aan [werkneemster] per 24 oktober 2000 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer betreft overweegt de Raad het volgende.
Het was de verzekeringsarts Smijers blijkens diens rapport van 10 oktober 2000 na onderzoek van [werkneemster] eerder die dag duidelijk geworden dat [werkneemster] - sedert het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts Tjen op 31 augustus 2000 en in het vooruitzicht van het ontbreken van recht op enige andere uitkering na beëindiging per 24 oktober 2000 van de op dat moment nog lopende WAO-uitkering - in toenemende mate psychische klachten had die, zo is uit diens rapport af te leiden, vrij ernstig aandeden en ook ernstig te nemen waren. Omdat de mate waarin er op dat moment sprake was van beperkingen op aspect 28 van het belastbaarheidspatroon moeilijk was in te schatten zonder over meer gegevens te beschikken, heeft Smijers een onderzoek doen instellen door de klinisch psycholoog Steger als externe deskundige. Niet ten onrechte heeft gedaagde op basis van de bevindingen van Smijers over de situatie waarin [werkneemster] op dát moment verkeerde, zulks in afwachting van het resultaat van het onderzoek door Steger (bij diens rapport van 21 november 2000), vooralsnog besloten tot voortzetting per 24 oktober 2000 van de WAO-uitkering aan haar. Na kennisneming van het rapport van Steger (in de bezwaarschriftfase) heeft Smijers op 30 november 2000 op medische gronden de conclusie getrokken dat [werkneemster] vanwege het ontbreken van benutbare mogelijkheden vooralsnog volledig arbeidsongeschikt is, heeft hij afgezien van het opstellen van een belastbaarheidspatroon of aanscherpen van het reeds eerder opgestelde belastbaarheidspatroon en heeft hij besloten dat een arbeidskundig onderzoek achterwege kan blijven. Op advies van Tjen heeft gedaagde evenmin ten onrechte de niet medisch onderbouwde bezwaren van appellante tegen dat besluit bij zijn besluit op bezwaar van 17 april 2001 ongegrond verklaard. In beroep tegen dat besluit heeft appellante geen medisch onderbouwde bezwaren ingebracht. Hetgeen appellante overigens tegen dat besluit naar voren heeft gebracht overtuigt de Raad er evenmin als de rechtbank van dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Hieruit volgt dat die uitspraak in zoverre niet voor vernietiging in aanmerking komt.

Uit het vorenstaande volgt dat appellante bij de aangevallen uitspraak ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in haar beroep tegen gedaagdes besluit van 14 september 2000, dat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd en voor het overige dient te worden bevestigd, dat het beroep van appellante tegen dat besluit alsnog ongegrond dient te worden verklaard waartoe de Raad zelf met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zal overgaan onder bepaling dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de aangevallen uitspraak, dat gedaagde aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht, een bedrag van in totaal (€ 408,40 + € 327,- =) € 735,40 aan haar dient terug te betalen en dat gedaagde dient te worden veroordeeld in de proceskosten van [werkneemster] als mede deelnemende partij tot een bedrag van € 161,- (0,5 punt voor de schriftelijke uiteenzetting als bedoeld in artikel 8:43, eerste lid, van de Awb), te betalen aan de griffier van de Raad, daar het bij haar gaat om een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand.

De Raad beslist dan ook als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak in zoverre de rechtbank daarbij appellante in haar beroep tegen het besluit van gedaagde van 14 september 2000 niet-ontvankelijk heeft verklaard;
Verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van gedaagde van 14 september 2000 alsnog ongegrond en bepaalt dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de aangevallen uitspraak;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ad in totaal € 735,40 dient terug te betalen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van [werkneemster] tot een bedrag ad € 161,- door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te betalen aan de giffier van de Raad.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E. Meijer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x