Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT2875
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Schatting WAO. Is de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene juist vastgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/2354 WAO en 04/4902 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur en uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Op 29 januari 2001 heeft appellant beroep ingesteld tegen het besluit van gedaagde van 23 januari 2001 (hierna: bestreden besluit 1), waarbij zijn bezwaren tegen onder meer de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 november 2000 ongegrond zijn verklaard.

Het beroep is bij uitspraak van 16 april 2002, kenmerk 01/263, door de rechtbank Zutphen voorzover hier van belang ongegrond verklaard.

Op 25 april 2002 is appellant in hoger beroep gekomen van deze uitspraak. Op 1 mei 2002 zijn de gronden aangevuld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Gedaagde geeft aan dat hij aanleiding heeft gezien om op 24 juli 2002 een nieuw besluit af te geven in verband met correcties in het maatmaninkomen (hierna: bestreden besluit 2).

Het geding is op 17 december 2004 behandeld ter zitting van de Raad. Appellant is niet verschenen en gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door E.W. Huiskamp, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad overweegt in de eerste plaats dat met het bestreden besluit 2, dat wat betreft de mate van arbeidsongeschiktheid in de plaats is gekomen van het bestreden besluit 1, niet volledig aan het beroep van appellant is tegemoet gekomen en derhalve met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de onderhavige procedure dient te worden betrokken.
De Raad overweegt voorts dat een niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep in de rede ligt, nu gedaagde het bij die uitspraak in stand gelaten bestreden besluit 1 blijkens zijn nadere bestreden besluit 2 niet langer handhaaft en niet gebleken is van een aan de zijde van appellant gelegen belang, anders dan het verkrijgen van vergoeding van griffierecht en proceskosten, bij het door hem ingestelde hoger beroep. Derhalve dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Appellant is op 17 mei 1999 wegens duizeligheidsklachten uitgevallen voor zijn werk als metaalbewerker in Duitsland.
Bij besluit van 10 juli 2000 is appellant met ingang van 8 juli 2000 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Appellants verzoek om uitkering wegens verminderd verdienvermogen aan de Landesversicherungsanstalt in Münster is bij brief van 8 september 2000 afgewezen.
Bij besluit van 21 september 2000 is de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 22 november 2000 herzien naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Op de tegen dit besluit ingediende bezwaren heeft gedaagde op 23 januari 2001 afwijzend beslist.

In het beroepschrift van 29 januari 2001 heeft appellant aangevoerd dat zijn gezondheidsklachten nog onverminderd aanwezig zijn en dat hij daar de nodige beperkingen van ondervindt.
Op 12 februari 2002 heeft appellant zich opnieuw tot de rechtbank Zutphen gewend en aangevoerd dat hij bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% recht meent te hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ter hoogte van 70% van zijn laatst verdiende salaris.

In het (aanvullend) hoger beroepschrift heeft appellant aangevoerd dat hij onverminderd gezondheidsklachten heeft die passen in het beeld van het Organisch Psychosyndroom (OPS) en naar zijn mening zijn terug te voeren op de ontvettings- en schoonmaakmiddelen waaraan hij tijdens zijn werk is blootgesteld geweest. Appellant meent recht te hebben op een uitkering ter hoogte van 70% van zijn laatst verdiende loon.

Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of gedaagde de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 22 november 2000 terecht heeft vastgesteld op 35 tot 45%. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de medische component van de beoordeling van de mate van de arbeidsongeschiktheid. Gezien de zich in het dossier bevindende medische rapportages is er geen reden voor twijfel aan de door gedaagde vastgestelde beperkingen. Dat appellant daarbij geen erkenning heeft kunnen vinden voor de door hem aangedragen mogelijke diagnoses doet daaraan niet af.
Het nadere (arbeidskundige) standpunt van gedaagde dat wijziging van het maatmaninkomen ertoe leidt dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 22 november 2000 niet op 25 tot 35% doch op 35 tot 45% dient te worden vastgesteld komt de Raad juist voor.
Daarbij merkt de Raad op dat uit de toepasselijke internationale bepalingen niet blijkt dat appellant gelet op zijn arbeidsverleden in Duitsland, recht zou hebben op een WAO-uitkering ter hoogte van 70% van het laatst verdiende loon bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

De Raad ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 Awb, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de Raad aanleiding te bepalen dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betaalde griffierecht door gedaagde wordt vergoed.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende;

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van € 109,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade, als voorzitter, en mr. T.L. de Vries en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2005.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x