Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT2936
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoogte vastgestelde WAO-dagloon.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3993 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift van 12 september 2003 aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen tegen een tussen partijen op 23 juni 2003 door de rechtbank Arnhem onder kenmerk 01/696 gewezen uitspraak.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft de Raad bij brief van 15 februari 2005 nadere stukken doen toekomen, welke op 17 februari 2005 bij de Raad zijn ingekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 februari 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H. Koelewijn, advocaat te Woerden, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J. van Dalfsen, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


In hoger beroep is evenals in eerste aanleg uitsluitend in geschil of het per 1 november 1999 op f 274,97 vastgestelde WAO-dagloon van appellant nadere ophoging behoeft doordat 15 roostervrije dagen waarop door appellant daadwerkelijk is gewerkt, niet in het jaarsalaris zijn meegenomen doch eerst na ommekomst van het refertejaar in een nabetaling tot verrekening zijn gekomen en daardoor ten onrechte niet in - een juiste berekening van - het dagloon zijn verdisconteerd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank Arnhem, gedaagde te dien aanzien volgend in de strekking van het in geding zijnde besluit op bezwaar van 5 maart 2001, overwogen dat uit de stukken niet is gebleken dat de werkgever niet aan de CAO-verplichting heeft voldaan over de roostervrije dagen het overeengekomen salaris te betalen, en evenmin dat er een nabetaling heeft plaatsgevonden na het refertejaar. Daardoor ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten in hetgeen appellant heeft aangevoerd om aan te nemen dat het in het refertejaar ontvangen loon van appellant te laag is vastgesteld en heeft zijn beroep tegen de hoogte van het WAO-dagloon ongegrond verklaard.

Namens appellant is met name aangevoerd dat in de uitspraak van de rechtbank ten onrechte geen rekening is gehouden met het extra loon dat door appellant op 15 roostervrije dagen met werken is verdiend. Zulks is nader geadstrueerd aan de hand van op 17 februari 2005 bij de Raad binnengekomen producties waaruit moest blijken dat roostervrije dagen verwoord werden als uitgekeerde vakantiedagen en dat over de onderhavige roostervrije dagen alsnog een nabetaling van f 11.097,49 heeft plaatsgehad.
Van de zijde van gedaagde is bestreden dat de roostervrije dagen, gelijk te stellen met overwerk, in het WAO-dagloon verdisconteerd zouden kunnen worden en is eveneens afwijzend gereageerd op de late, als ontoereikend beschouwde bewijsvoering van appellant.

De Raad oordeelt als volgt.

Op grond van de stukken en het verhandelde te zijner zitting acht de Raad appellant onvoldoende geslaagd in de bewijsvoering dat er betalingen over roostervrije arbeidsdagen zijn geweest welke hetzij toe te rekenen aan het refertejaar met toepassing van artikel 14 van de WAO ten onrechte niet zijn verdisconteerd in het WAO-dagloon hetzij daaraan door een achteraf te reconstrueren omissie gezien de werkelijke aard van de nabetalingen voor een doeltreffende toepassing van - artikel 3 van - de rubrieken van de Dagloonregelen WAO alsnog zouden kunnen en dienen te worden ondergebracht. Zo het hier niet uit te sluiten beloningen voor overwerk althans ontraceerbaar vakantiegeld gold, moet worden aangenomen dat er in elk geval geen plaats is voor verdiscontering in het WAO-dagloon. Het bezwaar inzake de betalingen over roostervrije arbeidsdagen is overigens eerst in de loop van de procedure niet consistent naar voren gebracht en de laatstelijk ingekomen nadere producties van appellant zijn naar de Raad constateert tardief ingediend en kunnen in elk geval in dit geding, waarin deze de onzekerheid over de aard van de betalingen slechts versterken, ook door blijk te geven van niet voor verdiscontering vatbare rubriceringen als uitgekeerd vakantiegeld, niet ten gunste van de opvatting van appellant worden uitgelegd. Het hoger beroep van appellant treft mitsdien geen doel en dient als ongegrond te worden aangemerkt.
De uitspraak van de rechtbank komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. C.P.M. van de Kerkhof en mr. P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) W.J.M. Fleskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x