Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT3033
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-03-2005
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om een voorlopige voorziening.
 
 
 

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter 05/380 WAO-VV




U I T S P R A A K




inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. INLEIDING


De heer F. Bruinsma heeft als gemachtigde van verzoekster bij brief van 22 juni 2004 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 mei 2004, nummer SBR 03/419.

Bij brief van 20 januari 2005 heeft de heer F. Bruinsma namens verzoekster verzocht een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).




II. MOTIVERING


Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Namens verzoekster is bij brief van 22 juni 2004 hoger beroep ingesteld tegen voornoemde uitspraak. Voorwerp van dat geding was de beslissing op bezwaar van 29 januari 2004, houdende (alsnog) gegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 14 februari 2002, in die zin dat de WAO-uitkering met ingang van 15 april 2002 ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Namens verzoekster wordt een voorlopige voorziening gevraagd ter zake van een inkomensoverzicht van 24 maart 2004 waarin is vermeld dat zij over de maanden april 2002 tot en met december 2003 Ä 6.463,04 te veel heeft ontvangen.

Vastgesteld moet worden dat niet voldaan wordt aan de zogeheten connexiteitseis die is neergelegd in artikel 8:81 van de Awb. Hoewel voor de bevoegdheid van de voorzieningenrechter van de Raad tot het treffen van een voorlopige voorziening voldoende is dat er op enig moment hoger beroep is ingesteld, dient deze voorwaarde aldus te worden verstaan dat aan de connexiteitseis ook in materiŽle zin moet worden voldaan, dat wil zeggen dat de gevraagde voorlopige voorziening betrekking moet hebben op het connexe - bestreden - besluit.

Aangezien het hoger beroep ziet op de vaststelling van een het recht op uitkering en het verzoek om voorlopige voorziening ziet op terugvordering van reeds verstrekte uitkering heeft het verzoek geen betrekking op het bestreden besluit.

Het vorenstaande leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen kennelijk niet-ontvankelijk is, zodat de voorzieningenrechter onder toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, zonder zitting uitspraak zal doen.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) E. Blijleven-de Vries.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x