Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT3064
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vaststelling verschuldigde gedifferentieerde WAO-premie. Toepasbaarheid van de regeling voor premievermindering.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/540 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden heeft mr. S.A.R. Lely, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 12 december 2003, nummer 02/1889, tussen partijen gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 februari 2005, waar namens appellante is verschenen A.W.S. Driessen, bijgestaan door mr. P.H.E. Bloemer, advocaat te Roermond, en waar gedaagde, zoals aangekondigd, zich niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 19 juni 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 5 oktober 2001, waarbij zij voor het premiejaar 2002 als grote werkgever is aangemerkt en waarbij de door haar verschuldigde gedifferentieerde premie voor het premiejaar 2002 is vastgesteld op 3,38%.
Daarbij is de in 2000 aan de ex-werknemer van appellante [ex-werknemer] (hierna: [ex-werknemer]) met ingang van 5 januari 1999 betaalde uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in aanmerking genomen. [ex-werknemer] is in 1998 ten gevolge van een auto-ongeval arbeidsongeschikt geworden.
Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

Bij besluit van 4 maart 2002, Stb. 2002, nr. 138 (Besluit regres en premievermindering WAO), is een regeling voor premievermindering na ontvangst van schadevergoeding, als bedoeld in artikel 107a, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, opgenomen in artikel 6, tweede lid, van het Besluit premiedifferentiatie WAO. Ingevolge het bij het Besluit regres en premievermindering WAO aan artikel 10 van het Besluit premiedifferentiatie WAO toegevoegde achtste lid is de regeling voor premievermindering evenwel uitsluitend van toepassing in die gevallen waarin de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de verzekerde ingaat op of na 1 januari 2002.

Nu het bestreden besluit is gebaseerd op een met ingang van 5 januari 1999 toegekende uitkering, is de bedoelde regeling in het onderhavige geval reeds daarom niet van toepassing. Uit de nota van toelichting bij het Besluit regres en premievermindering WAO blijkt dat de Staatssecretaris aan het besluit geen verdergaande terugwerkende kracht heeft willen verbinden. Ten tijde hier in geding biedt het samenstel van wettelijke bepalingen, waaronder begrepen het Besluit premiedifferentiatie WAO, derhalve geen ruimte om de gedifferentieerde premie te verlagen wegens verhaal van appellante op de voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid aansprakelijke derde.

Zoals de Raad reeds heeft overwogen in zijn uitspraak van 22 januari 2004, RSV 2004, 110, komt het besluit niet in aanmerking voor vernietiging op de enkele grond dat dit is gebaseerd op door appellante als onrechtvaardig ervaren regelgeving.
De Raad voegt daaraan toe dat hij geen rechtsgrond aanwezig acht om aan de wijziging van artikel 6, tweede lid, van het Besluit premiedifferentiatie WAO een verdergaande terugwerkende kracht te verlenen dan de wetgever in artikel 10, achtste lid, van dit besluit heeft gedaan. Evenmin is naar het oordeel van de Raad voornoemde rechtsgrond gelegen in de door appellante aangehaalde “doorbraakarresten” van de Hoge Raad van 12 april 1978 (BNB 1978, 135-137), reeds omdat in het onderhavige geval geen sprake is van gewekte verwachtingen.

Met de rechtbank en gedaagde is de Raad van oordeel dat zijn uitspraak van 28 mei 1998 (AB 1998, 244) inzake de malusregeling niet analoog kan worden toegepast, nu er in die gevallen sprake was van een verschil in uitvoering van de regelgeving door de uitvoeringsorganisaties, hetgeen zich in het onderhavige geval niet voordoet.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan de artikelen 8:73 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2005.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) L.M. Reijnierse.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x