Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT3094
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Bij de onderhavige schatting is van belang of de betreffende werkzaamheden passend kunnen worden geacht en - daarmee samenhangend - of de genoten verdiensten als representatief voor de daadwerkelijke verdiencapaciteit kunnen worden aangemerkt.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/6127 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Almelo onder dagtekening 12 november 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer: 02 / 265 WAO Y1 A.

Namens gedaagde heeft mr. R.J.B.M. Bongaarts, werkzaam bij het Bureau Rechtshulp Almelo, een verweerschrift met bijlagen ingediend.

Appellant heeft in reactie daarop een rapport, gedateerd 11 maart 2003, van zijn bezwaararbeidsdeskundige J. Haverkate ingezonden.

Namens gedaagde is een brief ingezonden van gedaagdes huisarts, bevattende een verzoek tot versnelde behandeling van het hoger beroep. De griffie van de Raad heeft gedaagdes gemachtigde een antwoordbrief gezonden.Bij schrijven van 26 juli 2004 heeft de Raad een vraagstelling aan appellant voorgelegd, welke door appellant is beantwoord bij brief van 20 september 2004 met als bijlage een rapport d.d. 16 september 2004 van zijn bezwaararbeidsdeskundige G. Huisman.
Bij schrijven van 8 november 2004 heeft de Raad een vervolgvraag aan appellant gesteld, welke is beantwoord bij brief van 23 november 2004, met als bijlage een rapport van gelijke datum van de bezwaarverzekeringsarts C.M. de Blécourt-Kuiper.

Gedaagdes gemachtigde heeft bij brief van 21 januari 2005 een door hem aan de huisarts van gedaagde gericht verzoek van 25 februari 2003 ingezonden, alsmede het antwoordschrijven van die huisarts van 29 maart 2003.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 februari 2005, waar voor appellant is verschenen mr. A. van den Os, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Bongaarts, voornoemd.




II. MOTIVERING


Aan de aangevallen uitspraak, waarin gedaagde als eiser en appellant als verweerder is aangeduid, ontleent de Raad de volgende weergave van de feiten en het verloop van de procedure:

"Eiser was laatstelijk sedert 1989 werkzaam als timmerman bij Schilderswacht B.V., gevestigd te Almelo. Hij heeft deze werkzaamheden op 5 november 1990 gestaakt wegens arm- en schouderklachten. Nadat eiser gedurende de maximale termijn van 52 weken een uitkering ingevolge de Ziektewet had ontvangen, zijn hem met ingang van 4 november 1991 uitkeringen toegekend ingevolge de (toenmalige) Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per 27 juli 1992 zijn deze uitkeringen op basis van een theoretische schatting herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Hiernaast werkt eiser sedert 11 oktober 1993 als onderhoudsmonteur/klusjesman bij Schmits International B.V., gevestigd te Almelo, gedurende 20 uur per week. Vanaf 1994 werkt eiser gedurende 32 uur per week bij dit bedrijf.In het kader van de uitvoering van de Wet Terugdringing Beroep op de Arbeidsongeschiktheidsregelingen is eisers mate van arbeidsongeschiktheid in 1995 opnieuw beoordeeld. Deze beoordeling heeft geleid tot het besluit van 30 november 1995 waarbij eisers mate van arbeidsongeschiktheid, wederom op basis van een theoretische schatting, per 1 september 1995 is herzien en nader vastgesteld op 35 tot 45%. Hierna is eiser op 5 mei 1997 wegens linker schouderklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als onderhoudsmonteur/klusjesman. Naar aanleiding hiervan wordt eiser vanaf 2 juni 1997 weer voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt beschouwd, terwijl hij alsdan onafgebroken vier weken toegenomen arbeidsongeschikt is geweest. In juli 1998 heeft eiser zijn werkzaamheden als onderhoudsmonteur/ klusjesman weer hervat gedurende 3 dagen van 4 uur per dag en vanaf 1 november 1998 gedurende 4 dagen van 4 uur per dag. In het kader van de vijfdejaars herbeoordeling is de arbeidsongeschiktheid van eiser opnieuw beoordeeld. Deze beoordeling heeft geleid tot twee besluiten, gedateerd 16 mei 2001. Bij het eerste besluit heeft verweerder besloten dat eiser met ingang van 1 juli 2000 (einddatum van de periode van vijf jaar na de eerste toekenning) onveranderd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. Bij het tweede besluit van 16 mei 2001 heeft verweerder besloten eisers mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 29 januari 2001, zowel op basis van een theoretische als een praktische schatting, te herzien en nader vast te stellen op 65 tot 80%. Bij dat besluit heeft verweerder verwezen naar zijn schrijven van 27 november 2000 waarbij hij eiser heeft ingelicht over de resultaten van deze herbeoordeling. Bij schrijven van 19 juni 2001, aangevuld bij schrijven van 1 oktober 2001, is namens eiser tegen laatst genoemd besluit bezwaar gemaakt. Eiser is in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaren ter hoorzitting mondeling nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is op 23 januari 2002 gebruik gemaakt. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft een medische en arbeidskundige herbeoordeling plaatsgevonden. Daaruit is naar voren gekomen dat eiser op basis van de theoretische schatting met ingang van 29 januari 2001 onveranderd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd, maar op basis van de praktische schatting met ingang van 29 januari 2001 ongewijzigd voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. Op basis daarvan heeft verweerder bij het bestreden besluit van 15 februari 2002 eisers bezwaarschrift ongegrond verklaard en het besluit van 16 mei 2001 gehandhaafd."

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing neemt op het bezwaarschrift van gedaagde van 19 juni 2001, met inachtneming van het in de uitspraak gestelde. De rechtbank heeft daartoe, samengevat weergegeven, het volgende overwogen en geoordeeld.

De rechtbank heeft in de eerste plaats vastgesteld dat het bestreden besluit op een onjuiste wettelijke grondslag rust, nu uit de door appellant gebruikte overwegingen en het aan dit besluit ten grondslag gelegde wettelijke kader blijkt dat appellant zich op het standpunt heeft gesteld dat gedaagde op basis van een theoretische schatting in een mate van 65 tot 80% arbeidsongeschikt is te beschouwen, terwijl hij op basis van een zodanige schatting nu juist in de klasse 80 tot 100% had moeten worden ingedeeld.

Nu evenwel, aldus de rechtbank, tevens vast staat dat gedaagde uiteindelijk in bezwaar niet op functies is geschat, maar uitsluitend op zijn feitelijke verdiensten, heeft de rechtbank aanleiding gezien om te beoordelen of appellant op basis van een praktische schatting op goede gronden heeft bepaald dat gedaagde per de in geding zijnde datum moet worden ingedeeld in de klasse 65 tot 80%, zodat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit wellicht in stand kunnen worden gelaten.

In het kader van die beoordeling heeft de rechtbank vervolgens overwogen dat er over de afgelopen drie jaren voorafgaande aan de onderhavige praktische schatting per 29 januari 2001 sprake is geweest van (sterk) wisselende verdiensten. Immers, uit de gegevens valt af te leiden dat gedaagde op 5 mei 1997 is uitgevallen voor zijn werkzaamheden als onderhoudsmonteur/klusjesman, dat hij ingaande juli 1998 zijn werkzaamheden heeft hervat gedurende 3 dagen van 4 uur per dag en dat hij vanaf 1 november 1998 heeft hervat in een omvang van 4 dagen van 4 uur per dag. Gelet hierop kunnen genoemde werkzaamheden naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 44, tweede lid, van de WAO op zich beschouwd worden als arbeid zoals bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van die wet.

De indeling in de klasse 65 tot 80% achtte de rechtbank echter niet juist. De rechtbank kon zich verenigen met het door appellant bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde in aanmerking genomen maatmaninkomen, maar niet met de vaststelling van de feitelijke verdiensten. Bij die vaststelling is appellant immers uitgegaan van het vanaf 1 november 1998 door gedaagde verrichte arbeidspatroon van 4 dagen van 4 uur per dag. Dit arbeidspatroon kan echter naar de zienswijze van de rechtbank niet als representatief worden aangemerkt voor de aan de schatting voorafgaande periode van drie jaar, zulks omdat over die drie jaren sprake is geweest van sterk wisselende verdiensten, die bij toepassing van de anticumulatiesystematiek hadden kunnen leiden tot indeling in wisselende fictieve arbeidsongeschiktheidsklassen. Tegen die achtergrond had appellant gedaagde niet - ongemotiveerd - mogen afschatten op (de verdiensten die behoren bij) het arbeidspatroon zoals hij dat verrichtte vanaf 1 november 1998.

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant ten onrechte de uitkering van gedaagde met terugwerkende kracht heeft verlaagd, namelijk bij besluit van 16 mei 2001 met ingang van 29 januari 2001. Niet gebleken is volgens de rechtbank van een situatie die een uitzondering rechtvaardigt op de hoofdregel dat verlaging of intrekking van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht over het algemeen in strijd moet worden geacht met het rechtszekerheidsbeginsel. Ook om die reden kan het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank in rechte geen stand houden. Ten overvloede heeft de rechtbank nog blijk gegeven van haar opvatting dat gedaagde niet kan worden gevolgd in zijn zienswijze dat een deel van zijn inkomsten als onderhoudsmonteur/klusjesman moet worden aangemerkt als sociaal loon en om die reden - voor dat deel - ten onrechte bij de onderhavige schatting op feitelijke verdiensten is betrokken.
De Raad ziet de door appellant in hoger beroep aangevoerde grieven doel treffen.

De Raad is in de eerste plaats met appellant van oordeel dat uit de aan het bestreden besluit onderliggende stukken genoegzaam blijkt dat de in dat besluit vervatte verlaging van gedaagdes uitkering (nog) uitsluitend is gegrond op een zogeheten praktische schatting op de door gedaagde met meergenoemde werkzaamheden als onderhoudsmonteur/ klusjesman verworven inkomsten. In dit verband wijst de Raad in het bijzonder op de rapportage van 21 december 2001 van de bezwaararbeidsdeskundige J. Haverkate. Nu de rechtbank haar constatering dat het bestreden besluit op een onjuiste wettelijke grondslag rust heeft doen steunen op het aldus feitelijk onjuist te achten uitgangspunt dat de schatting - zoals deze in bezwaar uiteindelijk zijn beslag heeft gekregen - (mede) is gegrond op een theoretische schatting op loondienstfuncties, dient die constatering en de daaraan door de rechtbank verbonden conclusie omtrent de houdbaarheid van het bestreden besluit als onjuist van de hand te worden gewezen.

In de tweede plaats kan de rechtbank evenmin worden gevolgd in haar oordeel dat de door appellant bij de schattingsberekening in aanmerking genomen verdiensten van gedaagde niet juist (te hoog) zijn, nu daarbij door appellant is uitgegaan van de verdiensten die behoren bij een arbeidsomvang van 4 dagen per week van 4 uur per dag, terwijl gedaagde in het tijdvak van drie jaren voorafgaande aan de schatting in wisselende omvang en - derhalve - tegen wisselende verdiensten werkzaam is geweest. De rechtbank is bij haar benadering kennelijk ervan uitgegaan dat gedaagde toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in het tweede lid van artikel 44 van de WAO. Ook dat uitgangspunt van de rechtbank is evenwel feitelijk onjuist, nu de onderliggende stukken daartoe geen enkel aanknopingspunt bevatten. De rechtbank kan derhalve niet worden gevolgd in de door haar - kennelijk - ook toegepaste toetsing aan de beleidsregels met betrekking tot toepassing van het tweede lid van artikel 44 van de WAO.

De onderhavige schatting berust, als gezegd, op de door gedaagde bij zijn werkgever feitelijk verrichte werkzaamheden - in de vanaf 1 november 1998 geldende omvang van 4 dagen per week en 4 uur per dag - en het daarmee feitelijk verdiende loon. Voor de houdbaarheid van een dergelijke schatting is van belang of de betreffende werkzaamheden passend voor de betrokkene kunnen worden geacht en - daarmee samenhangend - of de genoten verdiensten als representatief voor diens daadwerkelijke verdiencapaciteit kunnen worden aangemerkt. Die vraag wordt in het geval van gedaagde door de Raad in zijn beide onderdelen in bevestigende zin beantwoord. De Raad heeft daarbij vooreerst acht geslagen op de omstandigheid dat gedaagde die werkzaamheden in evenvermelde omvang voorafgaande aan de schattingsdatum 29 januari 2001 gedurende een niet onaanzienlijke periode van meer dan twee jaar heeft verricht, zonder dat er aanwijzingen zijn dat dit in de praktijk tot excessieve uitval of andersoortige gezondheidsproblemen heeft geleid. Voorts heeft de bezwaararbeidsdeskundige van appellant in de fase van het hoger beroep desgevraagd alsnog uitgebreide gegevens verstrekt inzake de inhoud en de belastende factoren van de werkzaamheden van gedaagde. De Raad heeft, mede in het licht van het hiervoor overwogene, geen aanleiding om het oordeel van appellants bezwaarverzekeringsarts De Blécourt-Kuiper voor onjuist te houden dat zich in die werkzaamheden geen relevante overschrijdingen voordoen van de voor gedaagde vastgestelde belastbaarheid. Voorts merkt de Raad nog op dat gedaagde er niet in geslaagd is om aan de hand van objectief-medische gegevens aannemelijk te maken dat hij ten tijde hier van belang anders of meer beperkt was dan waarvan appellant is uitgegaan. De zich onder de gedingstukken bevindende brieven van gedaagdes huisarts, waarop in dit verband van de zijde van gedaagde in het bijzonder een beroep is gedaan, bevatten zodanige objectief-medische gegevens evenmin.

In dit kader overweegt de Raad verder dat hij zich wel kan vinden in het door de rechtbank in een overweging ten overvloede gegeven oordeel dat er geen aanwijzingen zijn om het ervoor te houden dat in het loon van gedaagde een deel sociaal loon was begrepen. Gedaagde heeft in hoger beroep staande gehouden dat zulks wel het geval is, maar heeft daarvoor geen overtuigende nadere onderbouwing verstrekt. De enkele stelling - wat daarvan overigens zij - dat de door gedaagde verrichte werkzaamheden veel goedkoper door een jonge man van 18 jaar zouden kunnen worden verricht en dat - om die reden - het in dienst houden van gedaagde door zijn werkgever in het bijzonder is ingegeven door sociale motieven, kan bezwaarlijk leiden tot de conclusie dat gedaagde het door hem ontvangen loon niet ten volle waard zou zijn en dat zijn loon daarom ten dele het karakter heeft van een niet als tegenprestatie voor door gedaagde geleverde arbeid aan te merken sociale beloning. Ook vanuit dit perspectief bezien moet aldus worden geoordeeld dat het (gehele) door gedaagde ontvangen loon terecht door appellant is aangemerkt als representatief voor zijn (resterende) verdiencapaciteit.

Niet valt derhalve in te zien dat appellant gedaagdes werkzaamheden zoals hij die vanaf 1 november 1998 feitelijk verrichte en de daarmee verworven inkomsten niet aan de onderhavige schatting ten grondslag heeft mogen leggen.

Ten slotte is eveneens onjuist het oordeel van de rechtbank dat de onderhavige schatting met terugwerkende kracht heeft plaatsgevonden. Onder de gedingstukken bevindt zich een door appellants arbeidsdeskundige aan gedaagde gerichte brief van 27 november 2000, waarin gedaagde op de hoogte wordt gesteld van de uitkomsten van het plaatsgevonden hebbende arbeidskundige onderzoek, waaronder het resultaat van de praktische schatting. Gedaagde wist derhalve op een termijn van meer dan twee maanden voorafgaande aan de schattingsdatum 29 januari 2001 dat zijn uitkering zou worden verlaagd. Van enige bij die verlaging toegepaste, rechtens niet aanvaardbaar te achten terugwerkende kracht is mitsdien geen sprake.

Al het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit niet in stand is gelaten, dient derhalve te worden vernietigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) H.H.M. Ho.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x