Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT3596
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Is terecht geconcludeerd dat betrokkene met het verrichten van onderhavige werkzaamheden een zodanig inkomen kan verdienen dat hij voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/1233 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 3 juli 2001 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 30 januari 2003 (WAO 01/1649) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 17 november 2004, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uwv.

Na heropening van het onderzoek is het geding opnieuw behandeld ter zitting van de Raad van 23 februari 2005, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant is op 2 december 1998 wegens rugklachten na een val van een paard ongeschikt geworden voor zijn werk als hoofd acceptatie/informatie bij een verzekeringmaatschappij. In aansluiting op de wachttijd van 52 weken is aan hem met ingang van 1 december 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij een verzekeringsgeneeskundige herbeoordeling in september 2000 is vastgesteld dat bij appellant, die in februari 2000 een operatie aan de rechterknie had ondergaan, sprake was van aspecifiek chronische rugklachten, knieklachten ten gevolge van instabiliteit en een surmenagebeeld in gedeeltelijke remissie. De verzekeringsarts heeft toen beperkingen vastgesteld ten aanzien van knie- en rugbelasting alsmede stresserend werk in leidinggevende functies. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens in overeenstemming met het vastgestelde belastbaarheidspatroon voor appellant geschikte functies geselecteerd, waarmee appellant een zodanig inkomen kon verdienen dat hij voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt werd beschouwd.

Bij besluit van 11 oktober 2000 is de uitkering ingevolge de WAO vervolgens met ingang van 11 december 2000 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer heeft na onderzoek van appellant en na telefonische informatie te hebben ingewonnen bij appellants huisarts geen reden gezien af te wijken van de conclusie van de primaire verzekeringsarts. Blijkens het terzake uitgebrachte rapport van 17 mei 2001 heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn beschouwing betrokken dat appellant toen eerst in februari 2001, derhalve na de hier relevante datum, in verband met een verergering van zijn rugklachten bij de huisarts was geweest, die hem had doorverwezen naar een neuroloog. In aanmerking nemend dat in de geselecteerde functies staan en lopen zeer beperkt voorkomt, achtte de bezwaarverzekeringsarts appellant geschikt voor deze functies.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen voormeld besluit van 11 oktober 2000 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard en daarbij beslissende betekenis toegekend aan het ten behoeve van de gedingvoering in eerste aanleg uitgebrachte rapport van 8 oktober 2002 van H.J. van den Brand, neuroloog te Rotterdam.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen.
Bij de vorming van zijn oordeel heeft de Raad, evenals de rechtbank, doorslaggevende betekenis toegekend aan het rapport van voornoemde deskundige, die na eigen onderzoek van appellant en na kennis te hebben genomen van alle beschikbare medische gegevens, onder meer die van de behandelend sector, tot de conclusie is gekomen dat hij in staat moest worden geacht de hem door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te verrichten. In aanmerking nemend dat appellant blijkens de stukken voor zijn rugklachten in behandeling is geweest bij een neuroloog, ziet de Raad geen grond voor appellants stelling dat de rechtbank ten onrechte een neuroloog en geen orthopedisch chirurg als deskundige heeft geraadpleegd. Het rapport van voornoemde deskundige geeft naar het oordeel van de Raad verder blijk van een voldoende zorgvuldige afweging van de relevante medische aspecten. De Raad ziet dan ook geen grond om de conclusie van de deskundige niet te volgen.
Naar de rechtbank op grond van de beschikbare loonkundige gegevens terecht heeft geconcludeerd kan appellant met het verrichten van vorenbedoelde werkzaamheden een zodanig inkomen verdienen dat hij voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt behoort te worden beschouwd.

De omstandigheid dat gedaagde heeft besloten de uitkering ingevolge de WAO met ingang van 2 augustus 2001 - en dit tot 28 januari 2004 - vast te stellen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, kan de Raad niet leiden tot een ander oordeel. Er zijn in dit geding geen medische gegevens overgelegd die aan dit nadere besluit enige onderbouwing geven en een ander licht op de onderhavige zaak zouden kunnen werpen. Ter zitting van de Raad heeft gedaagdes gemachtigde hiervoor ook geen nadere verklaring kunnen geven.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Mitsdien moet worden beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A. van Netten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x