Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT3968
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Heeft de rechtbank onvoldoende rekening gehouden met de subjectieve beleving van de klachten door betrokkene?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/2574 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 18 april 2003, nummer 02/874 WAO Y1 A, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 maart 2005, waar appellante in persoon is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen M.J. Gerritsen, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 19 november 2001 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld dat haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van 6 januari 2002 wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Bij besluit van 16 september 2002, het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 november 2001 ongegrond verklaard.

Het bestreden besluit is door de rechtbank in stand gelaten.

In de aangevallen uitspraak, waarin appellante met "eiseres" en gedaagde met "verweerder" is aangeduid, heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

"Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de beperkingen van eiseres niet onderschat en is daarmee voldoende rekening gehouden bij de geselecteerde functies. De rechtbank heeft in het gestelde in beroep geen aanknopingspunten kunnen vinden voor een andersluidende conclusie. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat de voorhanden zijnde (recente) medische informatie over eiseres is betrokken en meegewogen bij de onderhavige beoordeling. Hiernaast neemt de rechtbank in aanmerking dat bij onderzoek en uit het dagverhaal van eiseres de ernst van de door haar ondervonden psoriasis-, nek-, gewricht- en moeheidklachten niet geobjectiveerd kan worden. De rechtbank ziet dan ook, evenals verweerder, onvoldoende aanleiding voor een energetische urenbeperking. De rechtbank wil aan de ernst van de klachten van eiseres niets afdoen, maar heeft onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat eiseres door die klachten zodanig wordt beperkt, dat zij helemaal geen (passende) werkzaamheden meer zou kunnen verrichten. Ook heeft eiseres haar klachten in beroep niet met nadere medische verklaringen van (andere) behandelaars onderbouwd, op grond waarvan de rechtbank tot een andersluidende conclusie zou moeten komen.
Hiernaast wijst de rechtbank er, voor zover hier van belang, nog op dat anders dan eiseres heeft gesuggereerd het hoger beroep destijds gegrond is verklaard omdat enerzijds op medische en anderzijds op arbeidskundige gronden een tweetal functies dienden te vervallen. Gezien de in hoger beroep verrichte reumatologische expertise is het echter niet zo dat de destijds door verweerder vastgestelde medische beperkingen van eiseres voor het verrichten van arbeid onjuist waren vastgesteld en dat daarom het hoger beroep gegrond is verklaard.
De rechtbank acht zich door de thans voorhanden zijnde gegevens dan ook voldoende voorgelicht en ziet geen aanleiding een nader medisch onderzoek te gelasten."

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met de subjectieve beleving van de klachten door appellante.

Hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd geeft de Raad geen aanleiding om anders te oordelen over het bestreden besluit dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan.

De subjectieve beleving van haar klachten door appellante kan bij de bepaling van haar aanspraken ingevolge de WAO niet beslissend zijn. Voorts merkt de Raad op dat onder meer uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans van 7 juni 2002 duidelijk blijkt dat zowel de primaire verzekeringsarts als hij zelf de medische beoordeling hebben gedaan aan de hand van de richtlijnen waarop appellante zich in het beroepschrift aan de Raad heeft beroepen.

Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 april 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x